AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering bouwvergunning woning in recreatiegebied Veere
Het college van burgemeester en wethouders van Veere weigerde op 9 juli 2002 aan appellant vrijstelling en een bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woning op een perceel in Veere. Het bezwaar van appellant werd op 28 januari 2003 ongegrond verklaard en de rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellant op 17 november 2003 eveneens ongegrond.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat alle gebouwen aan de Fort den Haakweg een recreatieve functie hebben en dat zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte niet was behandeld. De Raad van State oordeelde dat het gemeentelijk beleid gericht is op het behoud van een recreatief karakter en een bufferfunctie ten opzichte van de kern Vrouwenpolder, waardoor de bouw van een woning voor permanente bewoning niet past.
Daarnaast biedt artikel 8:73 vanPro de Algemene wet bestuursrecht geen grondslag voor schadevergoeding bij ongegrond verklaard beroep. Het hoger beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van vrijstelling en bouwvergunning bevestigd.
Uitspraak
200400121/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 17 november 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Veere.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) alsmede bouwvergunning te verlenen ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend gemeente Veere, sectie […], nr. […], aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 november 2003, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 10 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.A. de Keuning, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. W. Boogaard, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alle aan de Fort den Haakweg met toepassing van artikel 19 vanPro de WRO opgerichte gebouwen een recreatieve functie hebben, faalt. Gebleken is dat in het recente verleden ter plaatse geen nieuwe woningen zijn gebouwd. De bouw van een woning bestemd voor permanente bewoning past ook niet binnen het gemeentelijke beleid. Dat beleid is er, naar ter zitting aan de hand van een kaart nader is toegelicht, op gericht het ten noorden van de Noorddijk gelegen gedeelte van de Fort den Haakweg een recreatief karakter te doen behouden en de in geding zijnde percelen een bufferfunctie te laten vervullen ten opzichte van de kern Vrouwenpolder.
Het door appellant bedoelde gebouw ten behoeve van de schietvereniging kan als een (sportieve) recreatieve voorziening worden aangemerkt en past derhalve binnen het beleid van de gemeente.
Voor de bouw van een zendmast voor mobiele telefonie, een bouwwerk, niet zijnde een gebouw, is een tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 17 vanPro de WRO verleend.
De door appellant bedoelde gevallen kunnen derhalve niet op één lijn worden gesteld met de door hem beoogde woning.
2.2. Het betoog van appellant dat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding had dienen te behandelen, kan evenmin slagen, reeds omdat artikel 8:73 vanPro de Algemene wet bestuursrecht niet de mogelijkheid biedt om schadevergoeding toe te kennen in geval het beroep ongegrond wordt verklaard.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.