ECLI:NL:RVS:2004:AQ3654
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- J.R. Schaafsma
- J.G.C. Wiebenga
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom voor ondergrondse olietank wegens onjuiste wettelijke grondslag
Bij besluit van 7 april 2003 legde het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan appellante een last onder dwangsom op vanwege het niet verwijderen van een ondergrondse olietank op een perceel te Haarlem. De dwangsom bedroeg € 1.000 per week tot een maximum van € 15.000. Verweerder baseerde dit besluit op artikel 13, vierde lid, van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (Boot 1998).
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat artikel 13, vierde lid, niet van toepassing is omdat het gebruik van de tank reeds vóór de oprichting van de vereniging van eigenaars was beëindigd. De juiste grondslag is artikel 18, vierde lid, van het Boot 1998. Hierdoor is het bestreden besluit gegrond op een onjuiste wettelijke basis en dient het te worden vernietigd.
Daarnaast is in geschil wie als eigenaar van de tank moet worden aangemerkt. De Afdeling stelt vast dat de tuin waarin de tank ligt een gemeenschappelijk gedeelte is en dat appellante als beheerder terecht is aangesproken. Het verwijderingsverzoek is niet onredelijk omdat bouwkundig onderzoek geen ernstige risico's voor omliggende funderingen aantoonde en verwijdering technisch mogelijk is.
De Afdeling beveelt verweerder aan binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met een nieuwe begunstigingstermijn, schorst het primaire besluit en veroordeelt verweerder in de proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot last onder dwangsom wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.