ECLI:NL:RVS:2004:AQ3657
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- P.A. Offers
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom voor beëindiging kamer-/beddenverhuur in Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde appellant bij besluit van 4 februari 2002 een last onder dwangsom op om vóór 1 maart 2002 de kamer-/beddenverhuur in een pand te beëindigen en terug te brengen naar gezinsbewoning. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college en later door de rechtbank werd afgewezen.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte voor een last onder dwangsom koos in plaats van bestuursdwang en dat de begunstigingstermijn onvoldoende was, mede vanwege humanitaire bezwaren omtrent het verwijderen van kamerbewoners. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college een discretionaire bevoegdheid heeft om te kiezen voor een dwangsom, zeker gezien eerdere bestuursdwangaanzeggingen zonder het gewenste effect.
Verder werd geoordeeld dat de begunstigingstermijn voldoende was, omdat appellant al vanaf het moment van aanzegging enkele weken had om de overtreding te beëindigen en bovendien vooraf op de hoogte was gesteld van het voornemen via een ontwerpbeschikking. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.