ECLI:NL:RVS:2004:AQ3664

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307069/3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet verontreiniging oppervlaktewaterenBesluit Voorzieningen en Installaties milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunning lozing afvalwater in oppervlaktewater

Bij besluit van 28 augustus 2003 verleende het Zuiveringsschap Limburg aan de gemeente Gulpen-Wittem een vergunning voor het lozen van afvalwater uit het gemengde rioolstelsel van Slenaken in het oppervlaktewater de Gulp. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 6 juli 2004 en overwoog dat het verzoek geen nieuwe omstandigheden bevat die aanleiding geven tot het treffen van een voorlopige voorziening. Eerder was een soortgelijk verzoek reeds afgewezen op 19 december 2003. De Voorzitter achtte het verschil in voorschriften over het soort werk (bergbezinkbassin versus overstortput) niet relevant voor de beoordeling van de lozing.

Gelet op deze overwegingen werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en is niet bindend voor de bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening tegen de vergunning voor lozing van afvalwater in de Gulp wordt afgewezen.

Uitspraak

200307069/3.
Datum uitspraak: 15 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
en
het dagelijks bestuur van het Zuiveringsschap Limburg,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2003, kenmerk V00-303, heeft verweerder aan de gemeente Gulpen-Wittem een vergunning verleend krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het met behulp van een werk lozen van afvalwater uit het gemengde rioolstelsel van rioleringsgebied 5 van de kern van Slenaken in oppervlaktewater, genaamd de Gulp. Dit besluit is op 18 september 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 24 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 16 februari 2004, 25 februari 2004, 17 mei 2004 en 9 juni 2004.
Bij brief van 18 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 juli 2004, waar verzoekster, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. van Dort en R.P.A. Schols, beiden ambtenaar van het zuiveringsschap, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. De Voorzitter heeft bij uitspraak van 19 december 2003, in zaak no. 200307069/2, een verzoek van verzoekster om het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het bestreden besluit, afgewezen. In zijn uitspraak heeft de Voorzitter onder meer overwogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften slechts erop zien om de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het water in de Gulp in voldoende mate te beperken. De Voorzitter is niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met de bij het Besluit Voorzieningen en Installaties milieubeheer gestelde regels. De omstandigheid dat in het bestreden besluit ter duiding van de geografische ligging coördinaten van de overstortputten en lozingspunten zijn weergegeven, doet naar zijn oordeel daaraan niets af.
De Voorzitter heeft, gezien de overwegingen van het bestreden besluit en hetgeen destijds ter zitting is gesteld, geen aanleiding gezien het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen, nu in redelijkheid geen grond bestaat voor het oordeel dat voor onaanvaardbare aantasting van de kwaliteit van het oppervlaktewater door de vergunde lozing behoeft te worden gevreesd.
Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.3. Verzoekster betoogt dat nieuwe omstandigheden aanleiding geven tot het treffen van een voorlopige voorziening. Zij voert aan dat verweerder in het ontwerpbesluit strekkende tot het verlenen van een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan de gemeente Margraten voor het lozen van afvalwater afkomstig uit het rioolstelsel in oppervlaktewateren, overstortputten heeft voorgeschreven als het ten aanzien daarvan geschikte werk. In het thans bestreden besluit heeft verweerder, voor de situatie na 1 januari 2005, een bergbezinkbassin voorgeschreven als het ten aanzien daarvan geschikte werk. Zij acht het lozen via een bergbezinkbassin en het exact voorschrijven van de locatie van dit bassin in strijd met artikel 1, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, het Besluit Voorzieningen en Installaties milieubeheer en met het beheersplan van verweerder. Zij stelt zich op het standpunt dat, nu in het ontwerpbesluit ten behoeve van de gemeente Margraten het lozen via een bergbezinkbassin niet is voorgeschreven, gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Ook acht zij het aantal vergunde overstortfrequenties onevenredig hoog.
2.3.1. Bij uitspraak van 19 december 2003 heeft de Voorzitter van de Afdeling zich een oordeel gevormd over hetgeen verzoekster ten aanzien van het bestreden besluit heeft aangevoerd. Het thans ingediende verzoekschrift en het ter zitting aangevoerde bevat naar het oordeel van de Voorzitter geen nieuwe omstandigheden die zouden moeten leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening. De Voorzitter merkt hierbij op dat voor de beoordeling van de lozing door het bevoegd gezag het soort werk met behulp waarvan de lozing plaatsvindt – ongeacht of dit een bergbezinkbassin of een overstortput betreft – niet relevant is.
2.4. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Driel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004
414.