ECLI:NL:RVS:2004:AQ3673

Raad van State

Datum uitspraak
21 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200400616/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T.M.A. Claessens
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bouwvergunning kinderdagverblijf en dagactiviteitencentrum ondanks bezwaren uitzicht en verkeersoverlast

Het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp verleende op 19 maart 2002 een bouwvergunning en vrijstelling voor het oprichten van een kinderdagverblijf en wooneenheden met dagactiviteitencentrum voor meervoudig gehandicapten op de Wilddreef 1/11 te Leiderdorp. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 17 september 2002 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond op 12 december 2003.

Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de belangenafweging rondom het uitzicht op de nieuwbouw voldoende was, mede vanwege de termijn van tien jaar voor het onderhoud en herplant van compensatiebomen. Tevens voerde appellant aan dat de verkeersoverlast na realisatie van het bouwplan onvoldoende was meegewogen. De Raad van State oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat de verkeerssituatie niet significant zou wijzigen en dat de toezegging omtrent de bomen voldoende rekening hield met de belangen van appellant.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Het vonnis werd uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200400616/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Leiderdorp,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 december 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend aan [vergunninghoudster] voor het oprichten van een kinderdagverblijf en wooneenheden met dagactiviteitencentrum voor meervoudig gehandicapten op de percelen Wilddreef 1/11 (oneven) te Leiderdorp.
Bij besluit van 17 september 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 december 2003, verzonden op 16 december 2003, heeft de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 16 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 27 maart 2004 heeft appellant een reactie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door M. Hendriks en G.M. van der Meij, ambtenaren van de gemeente Leiderdorp, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan maakt een gebouw mogelijk met een oppervlakte van 2730 m² en een goothoogte van 3.24 m. Het centrale deel van het gebouw heeft een goothoogte van 7.80 meter. De kortste afstand tussen de woning van appellant en de te realiseren bebouwing bedraagt ongeveer 21 meter. Het college heeft appellant schriftelijk toegezegd dat ter compensatie van het gewijzigde uitzicht twee bomen geplant zullen worden, en het onderhoud en de eventuele herplant gedurende een periode van 10 jaar gegarandeerd.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij na het verstrijken van de periode van 10 jaar schade zal lijden indien een noodzakelijke vervanging van de bomen achterwege blijft.
Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college met bovenvermelde toezegging bij de aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag gelegde belangenafweging in voldoende mate met de belangen van appellant heeft rekening gehouden, voorzover deze zijn uitzicht op de nieuwbouw betreffen.
2.3. Ter zitting bij de rechtbank heeft appellant blijkbaar nog aandacht gevraagd voor de verkeersoverlast die na uitvoering van het bouwplan zal ontstaan ter hoogte van zijn woning. Het college heeft zich bij de voorbereiding van het besluit op het standpunt gesteld dat de verkeerssituatie als gevolg van het verlenen van de vrijstelling niet aanzienlijk zal wijzigen ten opzichte van hetgeen zonder vrijstelling mogelijk is, zodat daarin, gelet op de overige belangen, geen grond is gelegen de vrijstelling te weigeren. Hetgeen appellant aanvoert geeft geen aanleiding tot het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Appellant betoogt derhalve tevergeefs dat het oordeel van de rechtbank omtrent de verkeersoverlast onjuist is.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
17-381