ECLI:NL:RVS:2004:AQ3723

Raad van State

Datum uitspraak
21 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308384/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • F.P. Zwart
  • J.G. Treffers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8, tweede lid, Besluit alcoholonderzoekenArt. 10, eerste lid, Besluit alcoholonderzoekenArt. 10a, eerste lid, Besluit alcoholonderzoekenArtikel 8, tweede lid, onder a, Wegenverkeerswet 1994Bijlage I Regeling Ademanalyse
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verplichting deelname Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer

Appellant heeft bij besluit van 3 april 2002 de wederpartij verplicht deel te nemen aan de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) vanwege weigering mee te werken aan een alcoholonderzoek. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit, omdat zij oordeelde dat de wederpartij recht had op een tegenonderzoek middels een bloedproef.

De kern van het geschil in hoger beroep was of het aanbod van de wederpartij om de blaasproef over te doen of een bloedproef te ondergaan, gehonoreerd had moeten worden. De rechtbank had onder het begrip “resultaat” van het alcoholonderzoek ook verstaan de situatie waarin onvoldoende meetresultaten waren verkregen, waardoor volgens haar recht bestond op een tegenonderzoek.

De Raad van State stelde echter vast dat het begrip “resultaat” strikt moet worden uitgelegd als het daadwerkelijke ademonderzoekresultaat conform de Regeling Ademanalyse. Omdat door onvoldoende medewerking van de wederpartij onvoldoende meetresultaten waren verkregen, was er geen sprake van een geldig resultaat en dus geen recht op een tegenonderzoek. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de wederpartij ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de wederpartij ongegrond verklaard.

Uitspraak

200308384/1.
Datum uitspraak: 21 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister van Verkeer en Waterstaat,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 november 2003 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2002 heeft appellant [wederpartij] verplicht deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer ter bevordering van de geschiktheid (hierna: de EMA).
Bij besluit van 27 september 2002 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 november 2003, verzonden op 14 november 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het besluit van appellant van 3 april 2002 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 december 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken (Stb. 293, 5 juli 1997), blaast de verdachte op aanwijzing van de opsporingsambtenaar zo nodig viermaal ononderbroken een zodanige hoeveelheid ademlucht in het ademanalyseapparaat als voor het onderzoek nodig is. Het blazen kan worden beëindigd, zodra twee meetresultaten zijn verkregen.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken wordt het resultaat van het onderzoek aanstonds aan de verdachte meegedeeld.
Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken - voorzover hier van belang - kan de verdachte dadelijk nadat hem het in artikel 10, eerste lid, bedoelde resultaat is medegedeeld, de wens kenbaar maken dat tevens een onderzoek wordt verricht als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Ingevolge Bijlage I van de Regeling Ademanalyse wordt het ademonderzoekresultaat verkregen door het rekenkundig gemiddelde van de in een ademonderzoek verkregen meetresultaten op een voorgeschreven wijze te corrigeren. Het meetresultaat is de aanwijzing van het ademanalyseapparaat aan het einde van een volbrachte blaasprestatie. De blaasprestatie is een handeling die moet worden verricht om ononderbroken een hoeveelheid ademlucht door het ademanalyseapparaat te blazen, zodanig dat wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van blaasweerstand, blaasvolume en blaastijd.
2.2. Aan de orde is de vraag of appellant [wederpartij] terecht heeft verplicht mee te werken aan de EMA. Aan het opleggen van deze maatregel ligt ten grondslag de weigering van [wederpartij] mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. De omvang van het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of aan het aanbod van [wederpartij] om de blaasproef over te doen of een bloedproef te ondergaan gehoor had moeten worden gegeven.
2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat onder het begrip “resultaat” als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken, mede moet worden begrepen de situatie dat het onderzoek om welke reden dan ook onvoldoende meetresultaten heeft opgeleverd, en dat derhalve ingevolge artikel 10a, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken aan de wens van [wederpartij] een bloedproef te verrichten, gehoor had moeten worden gegeven.
2.4. Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de ademanalyse heeft geleid tot een resultaat en dat om die reden aan [wederpartij] recht toekwam op een tegenonderzoek.
2.5. Dit betoog slaagt. De Afdeling stelt vast dat onder “resultaat van het onderzoek” als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken moet worden begrepen het ademonderzoekresultaat zoals dat is gedefinieerd in de hierboven aangehaalde Bijlage I van de Regeling Ademanalyse. De rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door onder “resultaat” ook te verstaan de situatie dat het onderzoek om welke reden dan ook onvoldoende meetresultaten heeft opgeleverd. Nu, zoals onbestreden is, door onvoldoende medewerking van [wederpartij], onvoldoende meetresultaten zijn verkregen om tot een ademonderzoekresultaat te komen, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat artikel 10a, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken van toepassing is.
2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 november 2003, SBR 02/2379;
III. verklaart het bij de rechtbank door [wederpartij] ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.G. Treffers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. De Koning
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004
290.