ECLI:NL:RVS:2004:AQ3771
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- W. van den Brink
- R.H.L. Dallinga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen sloopvergunning voormalige HTS-gebouw Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 31 juli 2003 een sloopvergunning aan het Ontwikkelingsbedrijf van de gemeente Amsterdam voor het voormalige HTS-gebouw aan de Europaboulevard 23 te Amsterdam. Stichting Monumentenbehoud Nederland maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de stichting niet als rechtstreeks belanghebbende werd aangemerkt.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van de stichting tegen deze beslissing ongegrond. Hiertegen stelde de stichting hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Raad van State overwoog dat het statutaire doel van de stichting, gericht op bescherming van cultuurmonumenten, onvoldoende onderscheidend is om als rechtstreeks belanghebbende te worden aangemerkt.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter. Tevens wees de Raad het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 juli 2004.
Uitkomst: Het hoger beroep van Stichting Monumentenbehoud Nederland wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.