ECLI:NL:RVS:2004:AQ5710

Raad van State

Datum uitspraak
19 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200405843/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.H.B. van der Meer
  • O. van Loon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Tijdelijke referendumwetArt. 8:41 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen toelating referendum over Parkeerverordening 2004

Op 8 juli 2004 heeft verweerder het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de Parkeerverordening 2004 toegelaten. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de Raad van State, stellende dat het besluit van 8 april 2004 ook onderdeel had moeten zijn van het referendum.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het college exclusief bevoegd is om te bepalen of een besluit aan een referendum kan worden onderworpen, zoals bepaald in artikel 22, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet. Verder werd geoordeeld dat appellant geen belang meer had bij verdere beoordeling van zijn overige gronden, mede omdat de ingediende verzoeken niet meetellen voor het aantal ondersteuningsverklaringen voor het definitieve verzoek.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tevens werd opgemerkt dat de besluiten van 8 april en 8 juli 2004 door verschillende bestuursorganen zijn genomen en niet als samenhangend kunnen worden beschouwd, waardoor appellant voor beide beroepen griffierecht verschuldigd is.

Uitkomst: Het beroep tegen de toelating van het referendum over de Parkeerverordening 2004 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

200405843/1.
Datum uitspraak: 19 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats]
en
de voorzitter van het centraal stembureau van de gemeente Nieuwegein,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2004 heeft verweerder het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de Parkeerverordening 2004 toegelaten.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 juli 2004.
Bij brief van 16 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2004, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door drs. A.J. ter Horst, R.W.A. Kruger en mr. N.C. Bouwman-de Zoeten, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Op 8 april 2004 heeft de gemeenteraad onder meer de Parkeerverordening 2004 en de Parkeerbelastingverordening 2004 vastgesteld. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft de gemeenteraad bepaald de invoeringsdatum voor het invoeren van de parkeerregulering in Doorslag in schil 1 en delen van schil 2 vast te stellen op 1 oktober 2004, het uitbreidingscriterium voor de uitbreiding van het reguleringsbeleid in schil 2 vastgesteld, bepaald dat de woon- en bedrijfsvergunningen tot 1 juli 2007 gratis worden verstrekt en de eventuele jaarlijkse prijsstijging van de vergunningen wordt gesteld op maximaal de consumentenprijsindex alle huishoudens volgens de CBS-cijfers.
2.2.    Appellant betoogt tevergeefs dat verweerder bij het bestreden besluit tevens had dienen te bepalen dat het besluit van 8 april 2004 onderdeel uitmaakt van het referendum waarvoor het inleidend verzoek is toegelaten. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet is immers het college bij uitsluiting bevoegd te bepalen of een besluit aan een referendum kan worden onderworpen.
2.3.    Aangezien verweerder het inleidend verzoek tot het houden van een referendum heeft toegelaten, heeft appellant geen, althans geen rechtens te honoreren, belang meer bij een beoordeling van hetgeen overigens door hem in beroep is aangevoerd. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat - anders dan appellant kennelijk veronderstelt - de ten behoeve van de toelating van het inleidend verzoek ingediende verzoeken niet meetellen voor het aantal ondersteuningsverklaringen dat op grond van de Tijdelijke referendumwet voor toelating van het definitief verzoek is vereist.
2.4.    Het beroep is ongegrond.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Reeds omdat het besluit van 8 april 2004 dat onderwerp van geschil is in de zaak 200405837/1 en het besluit van 8 juli 2004 door verschillende bestuursorganen zijn genomen, kunnen deze niet als samenhangend, als bedoeld in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt. Dit betekent dat appellant voor beide beroepen griffierecht verschuldigd is.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Meer    w.g. Van Loon
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2004
284.