ECLI:NL:RVS:2004:AQ5710
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.H.B. van der Meer
- O. van Loon
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen toelating referendum over Parkeerverordening 2004
Op 8 juli 2004 heeft verweerder het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de Parkeerverordening 2004 toegelaten. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de Raad van State, stellende dat het besluit van 8 april 2004 ook onderdeel had moeten zijn van het referendum.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het college exclusief bevoegd is om te bepalen of een besluit aan een referendum kan worden onderworpen, zoals bepaald in artikel 22, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet. Verder werd geoordeeld dat appellant geen belang meer had bij verdere beoordeling van zijn overige gronden, mede omdat de ingediende verzoeken niet meetellen voor het aantal ondersteuningsverklaringen voor het definitieve verzoek.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tevens werd opgemerkt dat de besluiten van 8 april en 8 juli 2004 door verschillende bestuursorganen zijn genomen en niet als samenhangend kunnen worden beschouwd, waardoor appellant voor beide beroepen griffierecht verschuldigd is.
Uitkomst: Het beroep tegen de toelating van het referendum over de Parkeerverordening 2004 is ongegrond verklaard.