Appellanten hebben bij besluit van 10 oktober 2001 verzocht om het pand aan een locatie in Amsterdam aan te wijzen als beschermd monument. De Staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk. De rechtbank Amsterdam verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. Appellanten stelden vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep handhaafden appellanten hun standpunt dat zij belanghebbenden zijn en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat belanghebbenden in een aanwijzingsprocedure in de eerste plaats de eigenaar of zakelijk gerechtigde van het pand zijn. Appellanten, als omwonenden zonder zakelijk recht, hebben geen rechtstreeks belang bij het besluit tot aanwijzing als beschermd monument.
De Afdeling overwoog verder dat het besluit geen ruimtelijke effecten heeft en appellanten geen subsidie kunnen verkrijgen op grond van de Monumentenwet. Het enkele feit dat appellanten het verzoek indienden en het besluit mede aan hen werd toegezonden, maakt hen niet tot belanghebbenden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200307209/1.
Datum uitspraak: 28 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (thans: de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor (hierna: de Staatssecretaris) het verzoek van appellanten tot aanwijzing van het pand aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: het pand) tot beschermd monument afgewezen.
Bij besluit van 5 maart 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 29 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 19 december 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door prof. mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.A. Valkenburcht, ambtenaar bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) kan de Staatssecretaris, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.
2.2. Appellanten hebben in hoger beroep hun standpunt gehandhaafd dat de Staatssecretaris hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.2.1. Bij een besluit tot al dan niet aanwijzing van een object als (rijks)monument gaat het om het algemene belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 3 september 2003, in zaaknr. 200205030/1is, waar het gaat om natuurlijke personen, in de eerste plaats de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het pand belanghebbende in de zin van voormeld artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet bij een dergelijk besluit.
2.2.2. Vast staat dat appellanten, omwonenden, niet tot de genoemde categorieën van belanghebbenden behoren. Hun belang, dat beweerdelijk is gelegen in het behoud van het pand in de huidige vorm, is niet rechtstreeks betrokken bij een besluit tot al dan niet aanwijzing als monument. Anders dan bij een besluit tot vergunningverlening op grond van artikel 11 vanPro de Monumentenwet, heeft een besluit als hier aan de orde geen ruimtelijke effecten, zodat appellanten daaraan evenmin een rechtstreeks belang kunnen ontlenen. Evenmin is hun belang rechtstreeks betrokken bij het als gevolg van de aanwijzing kunnen verkrijgen van subsidie op de voet van artikel 34 vanPro de Monumentenwet 1988.
2.2.3. Het betoog van appellanten, dat zij reeds als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, omdat zij het verzoek hebben ingediend en het primaire besluit (mede) aan hen is toegezonden, kan evenmin slagen. In de Awb wordt een onderscheid gemaakt tussen aanvragen afkomstig van belanghebbenden, en andere verzoeken. Nu appellanten niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, was hun verzoek geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het primaire besluit is appellanten dan ook niet als aanvragers van een beschikking toegezonden.
2.2.4. Hetgeen door appellanten overigens is aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de Staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat appellanten geen belanghebbenden zijn bij het besluit van 10 oktober 2001.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.