ECLI:NL:RVS:2004:AQ5779

Raad van State

Datum uitspraak
28 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200400550/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:2 AwbArt. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot registratie huwelijk in gemeentelijke basisadministratie

Het college van burgemeester en wethouders van Culemborg wees het verzoek van appellante om haar huwelijk met haar partner in de gemeentelijke basisadministratie te registreren af. Dit besluit werd gevolgd door een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank oordeelde dat het verzoek een herhaalde aanvraag betrof en beperkte haar toetsing tot de vraag of er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.

Appellante overhandigde een kopie van een huwelijksbevestigingsakte uit 1962, maar deze werd niet als nieuw feit erkend omdat deze al vóór het eerdere besluit had kunnen worden overgelegd. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet tweemaal aan de rechter kan worden voorgelegd zonder nieuwe feiten, conform artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en uitspraak rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200400550/1.
Datum uitspraak: 28 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Culemborg,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 december 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Culemborg.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Culemborg (hierna: het college) een verzoek van appellante om haar huwelijk met [partner] (hierna onderscheidenlijk: het huwelijk en [partner]) in de gemeentelijke basisadministratie te registreren, afgewezen.
Bij besluit van 31 maart 2003 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 15 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2004, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door C.A. den Dulk, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het college heeft eerder een verzoek van [partner] tot registratie van het huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie bij besluit van 14 mei 2002 afgewezen. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.
2.2.    Het betoog van appellante dat de rechtbank haar aanvraag om registratie van het huwelijk ten onrechte als herhaalde aanvraag heeft aangemerkt, treft geen doel.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 4 april 2003 in zaak nr. 200206882/1, AB 2003, 315), geldt het algemene rechtsbeginsel, waaraan voor de bestuurlijke besluitvorming invulling wordt gegeven in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak, ook de rechtspraak en kan buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. De in de wet gegeven bepalingen voor het instellen van beroep verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Dit geldt ook, indien het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet heeft toegepast, aangezien de regels inzake te toegang tot de rechter van openbare orde zijn. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht ambtshalve getoetst of sprake was van een herhaalde aanvraag.
Nu het verzoek van appellante tot het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg strekt als dat van [partner], namelijk registratie van het huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie, heeft de rechtbank het verzoek van appellante met juistheid aangemerkt als nieuwe aanvraag na een eerder afwijzend besluit, als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Mitsdien heeft zij de omvang van haar toetsing terecht beperkt tot de vraag of aan het verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.
2.3.    Appellante heeft bij haar verzoek een “Copie d’Acte de Confirmation Mariage”, opgemaakt op 16 juli 2002 te [land], overgelegd. Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling, kunnen bewijsstukken van eerder aangevoerde feiten of omstandigheden slechts als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, worden aangemerkt, indien deze niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve, ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, behoorden te worden overgelegd. De door appellante overgelegde akte is weliswaar opgemaakt, nadat de afwijzing van het verzoek van [partner] in rechte onaantastbaar is geworden, doch behelst een kopie van een akte van huwelijksbevestiging die is opgesteld op 2 oktober 1962. Gesteld noch gebleken is dat die akte niet had kunnen worden overgelegd, voorafgaand aan het in rechte onaantastbaar worden van het besluit op het verzoek van [partner]. Gelet hierop, heeft de rechtbank de door appellante overgelegde akte terecht niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, aangemerkt.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb    w.g. Mathot
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2004
413.