ECLI:NL:RVS:2004:AQ5782

Raad van State

Datum uitspraak
28 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200400228/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • J.A.M. van Angeren
  • H. Borstlap
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen vergunning voor opslag baggerspecie

Bij besluit van 18 november 2003 verleende verweerder een vergunning aan gemeentewerken Rotterdam voor het oprichten en in werking hebben van een depot voor de opslag van klasse 0 baggerspecie op een perceel te Rotterdam. Deze vergunning had een looptijd tot 1 januari 2004 en werd op 3 december 2003 ter inzage gelegd.

Appellante, de Vereniging Natuur- en Vogelwacht Rotta, stelde op 9 januari 2004 beroep in tegen dit besluit. Verweerder diende op 10 maart 2004 een verweerschrift in. Tijdens de zitting op 24 juni 2004 werd het geschil behandeld.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat de vergunning inmiddels was vervallen en appellante geen belang meer had bij de beoordeling van het beroep. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang omdat de vergunning was vervallen.

Uitspraak

200400228/1.
Datum uitspraak: 28 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de vereniging "Vereniging Natuur- en Vogelwacht Rotta", gevestigd te Bleiswijk,
appellante,
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2003, kenmerk 416828, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan gemeentewerken Rotterdam een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een depot voor de opslag van klasse 0 baggerspecie uit de singels van Rotterdam op het perceel Bergschenhoekseweg ongenummerd te Rotterdam. De vergunning is verleend tot 1 januari 2004. Dit besluit is op 3 december 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij brief van 10 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door K. Ulmer, advocaat te Dordrecht en
J.H. Ochtman, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door B.M.R.D. Menting en ing. R. Heijsman, werkzaam bij de DCMR Milieudienst Rijnmond, gemachtigden, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Hetgeen appellante met haar beroep nastreeft, namelijk de vernietiging van de bij het bestreden besluit verleende vergunning, kan daarmee niet worden bereikt, aangezien die vergunning een looptijd had tot 1 januari 2004 en na die datum is vervallen. Appellante heeft derhalve geen belang meer bij de beoordeling van het beroep.
2.2.    Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen    w.g. Van Koten
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2004
324.