ECLI:NL:RVS:2004:AQ5996

Raad van State

Datum uitspraak
4 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200306730/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Garageverordening gemeente AmsterdamArt. 4 Garageverordening gemeente AmsterdamArt. 6 planvoorschriften bestemmingsplan Jordaan 1972Art. 3 planvoorschriften bestemmingsplan Jordaan 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering garagevergunning wegens strijd met bestemmingsplan en parkeerbeleid

Appellant verzocht om een garagevergunning voor het gebruik van de beganegrondverdieping van een pand in Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders weigerde deze vergunning omdat het gebruik in strijd was met het bestemmingsplan "Jordaan 1972" en het parkeerbeleid, dat een minimum parkeernorm hanteert die niet werd gehaald.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en bepaalde dat het college een nieuw besluit moest nemen. In hoger beroep oordeelde de Raad van State dat het college het besluit tot weigering van de vergunning niet onredelijk had genomen. De beleidsmatige uitleg van de parkeernorm en de toepassing van het bestemmingsplan waren rechtmatig.

De Raad van State bevestigde dat de wijzigingsbevoegdheid voor inpandige parkeervoorzieningen voorbehouden is aan de gemeenteraad en dat het college dit niet zelfstandig kon toepassen. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel had bovendien besloten geen gebruik te maken van deze bevoegdheid.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij de weigering van de garagevergunning rechtmatig is.

Uitspraak

200306730/1.
Datum uitspraak: 4 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het college) geweigerd aan appellant een garagevergunning te verlenen ten behoeve van het pand aan de [locatie] te Amsterdam.
Bij besluit van 20 november 2001 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 september 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 18 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur), in deze rechtsopvolger van het college, van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het dagelijks bestuur en appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2004, waar appellant in persoon en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.A. Bijl, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellant heeft op 24 juli 2000 verzocht om een vergunning voor het gebruik van de beganegrondverdieping van het pand [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel) als garage, waarin twee parkeerplaatsen zijn voorzien. Daarvoor is vergunning vereist op grond van artikel 2, eerste lid, van de Garageverordening van de gemeente Amsterdam.
In artikel 4, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat, behalve in het geval van strijd met het bepaalde in andere wettelijke regelingen, een garagevergunning slechts kan worden geweigerd indien zich de in dit artikellid nader aangegeven gronden voordoen.
2.2.    Ten tijde van de aanvraag en het primaire besluit gold voor het perceel het bestemmingsplan “Jordaan 1972”, zoals nadien (twee maal) herzien. Niet in geschil is dat het gebruik van de beganegrondverdieping van het pand als garage in strijd is met de ingevolge dit bestemmingsplan op het perceel rustende bestemming “Kantoorbebouwing c.a. met erven (BB2)”. Bij de beoordeling of op grond van artikel 6, zevende lid, van de planvoorschriften vrijstelling kon worden verleend voor de garage heeft het college getoetst aan het (algemene) parkeerbeleid, dat is neergelegd in het “Beleidsplan binnenstad”, het “Verkeers- en inrichtingsplan” en de “Nota Verkeer en parkeren binnenstad”. Op grond van dit beleid geldt een parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per woning. Zoals ook in de beslissing op bezwaar is overwogen wordt aan deze norm niet voldaan. De garage met twee parkeerplaatsen wordt slechts ten behoeve van één woning gebruikt, terwijl een minimum van twee woningen geldt om voor een parkeerplaats in aanmerking te komen. Voor het standpunt van appellant dat het beleid aldus moet worden verstaan dat de norm van 0,5 parkeerplaats per woning naar boven moet worden afgerond, zodat in dit geval voor één parkeerplaats vergunning had kunnen worden verleend, bieden de hiervoorgenoemde beleidsdocumenten geen steun. Voor dat standpunt biedt evenmin steun de door appellant aangehaalde passage in de toelichting op de “Nadere regels garageverordening”, welk beleid op 1 maart 2002 - en derhalve ná de beslissing op bezwaar - in werking is getreden. Naar ter zitting in hoger beroep door de vertegenwoordiger van het dagelijks bestuur is verklaard, wordt de in die passage bedoelde afronding van de parkeernorm pas per 1 maart 2002 toegepast. Niet is aannemelijk gemaakt dat vóór 1 maart 2002 een zodanige uitleg en toepassing aan de parkeernorm werd gegeven. De Afdeling acht voorts niet kennelijk onredelijk het beleidsmatige en derhalve terughoudend te toetsen standpunt van het dagelijks bestuur dat de aan appellant verleende garagevergunning voor het perceel [locatie b] te Amsterdam objectgebonden is en daarom niet kan worden ingeruild voor een vergunning ten behoeve van het onderhavige perceel. Iedere aanvraag dient op haar eigen merites te worden beoordeeld. Uit het vorenstaande volgt dat niet gezegd kan worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen vrijstelling te verlenen en gelet op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Garageverordening de garagevergunning dan ook terecht wegens strijd met het bestemmingsplan heeft geweigerd.
2.3.    Ten tijde van de beslissing op bezwaar was inmiddels van kracht het bestemmingsplan “Jordaan 1999”. Niet in geschil is dat het gebruik van de beganegrondverdieping van het pand als garage ook in strijd is met de ingevolge dit bestemmingsplan op het perceel rustende bestemming “Gemengde doeleinden”. Het hoger beroep van appellant richt zich niet tegen het oordeel van de rechtbank dat de in artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor inpandige parkeervoorzieningen is voorbehouden aan de gemeenteraad, zodat het college niet zelf kon beoordelen of van de wijzigingsbevoegdheid gebruik kon worden gemaakt. Om die reden heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar vernietigd. Gelet hierop is een beoordeling van de door het college in het kader van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid gegeven overwegingen niet aan de orde. Overigens is gebleken dat de raad van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam op 26 februari 2004 heeft besloten om geen toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid. Het dagelijks bestuur zal, rekening houdend met deze beslissing, een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van appellant dienen te nemen.
2.4.    De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Molenaar
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2004
369.