Art. 19 WROArt. 20 Besluit op de ruimtelijke ordening 1985
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit vrijstelling bouw garage in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl verleende op 4 maart 2003 vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning voor het bouwen van een garage/berging op een perceel te Delfzijl. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten stelden daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan en dat het college de vrijstelling had verleend op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Afdeling stelde vast dat het college van gedeputeerde staten een lijst had vastgesteld waarin was aangegeven in welke gevallen vrijstelling kon worden verleend. Het college van B&W had het bouwplan aangemerkt als behorend tot categorie A, die betrekking heeft op woongebouwen.
De Afdeling oordeelde echter dat de garage/berging als bijgebouw niet onder het begrip woongebouw valt zoals bedoeld in de lijst en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. Bovendien kon artikel 19, derde lid, dat vrijstelling voor bijgebouwen regelt, niet worden toegepast vanwege het beleid van het college met betrekking tot de bestemming "Openbare groenvoorziening". Daarom was het college niet bevoegd om vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, WRO.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van het college, en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het college en de uitspraak van de voorzieningenrechter worden vernietigd.
Uitspraak
200400259/1.
Datum uitspraak: 4 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te Delfzijl,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 3 december 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage/berging aan de [locatie] te Delfzijl (hierna: het perceel).
Bij besluit van 8 september 2003 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 12 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 3 maart 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Pronk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Fivelzigt deelplan I” rusten op het perceel de bestemmingen “Bebouwing met woningen in de aangegeven klasse”, “Tuin of open erf I”, “Openbare groenvoorziening” en “Openbare weg”.
2.2. Het project betreft het oprichten van een garage/berging op het perceel. Niet in geschil is dat het project in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft daarom met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend van het bestemmingsplan.
2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben is vereist.
2.4. Appellanten hebben betoogd dat het college in dit geval niet met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kon verlenen.
2.5. Het college van gedeputeerde staten van Groningen heeft op 13 april 2000 een lijst van gevallen vastgesteld waarin het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan verlenen.
Categorie A van de hoofdrubriek “Projecten binnen de bebouwde kom van alle gemeenten” van deze lijst ziet op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of uitbreiden alsmede vervangende nieuwbouw van woongebouwen al dan niet met functieverandering mits geen structurele verstoring van de detailhandelsstructuur (winkelconcentratie) plaatsvindt.
2.6. Het college heeft zich bij de bestreden beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat het bouwplan past binnen deze categorie. Het heeft in dat verband overwogen dat voor de uitleg van het begrip woongebouw aansluiting gezocht dient te worden bij het bestemmingsplan. Nu binnen de bestemming “bebouwing met woningen” toegestane gebouwen (zowel hoofd-, aan-, als bijgebouwen) ten dienste staan van de functie wonen zijn deze volgens het college aan te merken als woongebouwen als bedoeld in categorie A.
2.7. Nu in de lijst geen definitie van het begrip woongebouw is opgenomen moet voor de uitleg daarvan naar het oordeel van de Afdeling aansluiting gezocht worden bij artikel 20 vanPro het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. In dat artikel wordt onder een woongebouw niet tevens een bijgebouw als hier in geding verstaan. Een uitleg in deze zin ligt temeer voor de hand nu voor het oprichten van een bijgebouw in het algemeen met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend. Deze bepaling kan in dit geval echter niet toegepast worden aangezien, naar ter zitting desgevraagd namens het college is aangegeven, het door het college gevoerde beleid met betrekking tot de toepassing van dat artikellid het verlenen van vrijstelling voor het oprichten van een bijgebouw op een perceel met de bestemming “Openbare groenvoorziening” niet toestaat.
2.8. Het college was, gelet op het vorenstaande, niet bevoegd om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.
2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.
2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 3 december 2003, AWB 03/1051 WW44 VERA;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl van 8 september 2003, BM;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 174,28; het bedrag dient door de gemeente Delfzijl te worden betaald aan appellanten;
V. gelast dat de gemeente Delfzijl aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 291,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.