AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke bevestiging vernietiging besluit handel en reparatie auto’s in agrarisch gebied
Het college van burgemeester en wethouders van Vorden legde bij besluit van 24 juni 2003 een dwangsom op en verbood de handel in auto's en reparaties op een perceel met de bestemming 'Agrarisch gebied'. Dit besluit werd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen op 4 december 2003 vernietigd wegens strijd met het bestemmingsplan en het overgangsrecht.
Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bij de beoordeling van het overgangsrecht onjuiste peildata hanteerde, namelijk een peildatum in 1994 in plaats van de juiste datum van 16 augustus 1996, het moment waarop het bestemmingsplan van kracht werd. Hierdoor was het besluit op bezwaar van 7 oktober 2003 in strijd met de Algemene wet bestuursrecht en diende het te worden vernietigd.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens werd het college veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de appellant. De Afdeling benadrukte dat bij het nieuwe besluit op bezwaar ook verklaringen van derden en een verklaring van een voormalig ambtenaar betrokken moeten worden.
Deze uitspraak onderstreept het belang van correcte toepassing van overgangsrecht en zorgvuldige besluitvorming in het bestuursrecht, met inachtneming van de juiste peildata en het betrekken van relevante bewijsstukken.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van het besluit bevestigd.
Uitspraak
200400364/1.
Datum uitspraak: 4 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Vorden,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 4 december 2003 in het geding tussen:
[partij], wonend te Vierakker
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2003 heeft appellant (hierna: het college) [partij] (hierna ook: Naves), onder oplegging van een dwangsom gelast de handel in auto's en de mede daartoe verrichte reparatiewerkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen.
Bij besluit van 7 oktober 2003 heeft college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 14 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 15 maart 2004 heeft [partij] een memorie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2004, waar het college, vertegenwoordigd door P. van Eykel, ambtenaar van de gemeente, en [partij] in persoon en bijgestaan door mr. M.H. Hogeman, advocaat te Zutphen, en P. ter Horst zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1994” rust op het perceel de bestemming “Agrarisch gebied”.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is de op de kaart als “Agrarisch gebied” aangewezen grond bestemd voor één of meer vormen van agrarisch grondgebruik.
Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden opstallen – of delen daarvan – en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.
Ingevolge artikel 46, vijfde lid, van de planvoorschriften, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op:
a. gebruik van opstallen – of delen daarvan – en grond strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan, voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard en omvang van het gebruik geen wijziging wordt aangebracht;
b. een gewijzigd gebruik van opstallen – of delen daarvan – en grond, anders dan ten tijde van het van kracht worden van het plan, indien dit gewijzigde gebruik minder strijdig zal zijn met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.
2.2. Vast staat dat op het perceel, in strijd met de bestemming, bedrijfsactiviteiten bestaande uit handel in auto’s en het daaraan verrichten van reparaties plaatsvinden.
2.3. Het college betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de vraag of het gebruik van het perceel valt onder het in artikel 46, vijfde lid, van de planvoorschriften, neergelegde overgangsrecht van de juiste peildatum, te weten 16 augustus 1996, de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan, is uitgegaan. Evenals de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat het college bij de bestreden beslissing op bezwaar is uitgegaan van een niet nader aangeduide peildatum in 1994. Dit blijkt duidelijk uit het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, waarnaar door het college in die beslissing is verwezen.
2.4. Ook de Afdeling komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat het besluit op bezwaar van 7 oktober 2003 wegens strijd met artikel 3:2 enPro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dient te worden vernietigd. Het college dient bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar ook de op 18 november 2003 door [partij] overgelegde verklaringen van derden en de in hoger beroep overgelegde verklaring van 30 juni 2004 van een voormalig ambtenaar van de gemeente Warnsveld te betrekken.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Het college dient op hierna te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vorden in de door [partij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Vorden te worden betaald aan [partij].
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.