AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging sluiting recreatieinrichting na schietincident in Den Haag
De burgemeester van Den Haag besloot op 24 september 2002 tot sluiting van de recreatieinrichting voor twaalf maanden en intrekking van de vergunning, naar aanleiding van een schietincident op 26 augustus 2002 in of nabij de inrichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar hield de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde hoger beroep in tegen de bevestiging van de relatie tussen het incident en de inrichting, met name vanwege vermeende anonieme en tegenstrijdige getuigenverklaringen.
De Raad van State oordeelde dat het niet om anonieme verklaringen ging, maar om verklaringen waarvan de identiteit bekend was bij de politie, hoewel namen in de processen-verbaal waren doorgehaald. De Afdeling vond geen reden om deze verklaringen niet aan het besluit ten grondslag te leggen. De rechtbank had terecht minder gewicht toegekend aan verklaringen van enkele getuigen en meer aan die van de broer van appellant en twee passanten.
Hoewel niet kon worden vastgesteld dat het schietincident binnen de inrichting plaatsvond, stond vast dat het incident in relatie stond tot de inrichting, mede door een voorafgaande ruzie binnen de inrichting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200400153/1.
Datum uitspraak: 4 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 november 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de burgemeester van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2002 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) bevolen dat de recreatieinrichting [koffiehuis] (hierna: de inrichting) in het perceel [locatie] te Den Haag, die door appellant wordt geëxploiteerd, voor een periode van twaalf maanden wordt gesloten, ingaande vrijdag 27 september 2002 om 12.00 uur en eindigend op zaterdag 27 september 2003 om 12.00 uur. De burgemeester heeft voorts besloten de destijds op grond van artikel 57 vanPro de APV verleende vergunning voor deze recreatieinrichting in te trekken.
Bij besluit van 17 maart 2003 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 november 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 13 februari 2004 heeft de burgemeester van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2004, waar appellant vertegenwoordigd door mr. A.H. Westendorp, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door C.E.J.M. Vaars en R.L. Helleman, beiden werkzaam bij de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft in het haar voorgelegde geschil centraal gesteld de vraag of de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aan het besluit ten grondslag gelegde schietincident dat op 26 augustus 2002 in en/of in de directe omgeving van de inrichting heeft plaatsgevonden, in directe relatie met de inrichting staat. Deze vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord op grond van de naar aanleiding van het incident ambtsedig opgemaakte politierapportages en verkregen getuigenverklaringen.
2.2. Appellant keert zich in hoger beroep uitsluitend tegen deze bevestigende beantwoording, omdat de rechtbank naar zijn oordeel ten onrechte naar anonieme verklaringen verwijst. De verklaringen kunnen hierdoor volgens hem niet op hun juistheid worden beoordeeld. Voorts ziet appellant tegenstrijdigheid in de afgelegde verklaringen.
2.3. Het betoog slaagt niet.
De Afdeling stel vast dat het niet om anonieme verklaringen gaat, maar om verklaringen van getuigen van wie de identiteit bij de politie bekend is, doch van wie de namen in de afschriften van de processen-verbaal zijn doorgehaald. Geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat de burgemeester de op deze wijze verkregen verklaringen niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen.
De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de burgemeester in het kader van de heroverweging van zijn besluit aan de verklaringen van [getuigen 1 en 2] en de door appellant overgelegde verklaringen van [getuigen 3 en 4] minder betekenis heeft mogen toekennen dan aan de verklaring die direct na het incident is afgelegd door de broer van appellant, die op dat moment de inrichting beheerde, en de geanonimiseerde verklaringen van twee passanten. De Afdeling ziet in hetgeen appellant terzake aanvoert geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan de verklaringen waaraan doorslaggevende betekenis is toegekend, relevante onvolkomenheden kleven.
Weliswaar heeft de rechtbank geoordeeld dat niet de conclusie kon worden getrokken dat het schietincident in de inrichting plaatsvond, maar dat staat er niet aan in de weg dat de rechtbank in navolging van de burgemeester de conclusie kon trekken dat het schietincident in relatie stond met de inrichting, gelet op de verder uit de stukken blijkende feiten en omstandigheden, die zich binnen en buiten de inrichting hebben voorgedaan, waaronder met name de aan het schietincident voorafgaande ruzie in de inrichting.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.