Uitspraak
200306696/1. In het voorliggende geschil bestaat geen aanleiding om anders te oordelen.
Raad van State
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) gaf aan een betrokkene, die in mei 2002 een cerebraal infarct had doorgemaakt, een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en E bij B met de beperking dat het rijbewijs alleen tijdens privégebruik mocht worden gebruikt. De betrokkene maakte bezwaar tegen deze beperking, waarna de rechtbank Roermond het bezwaar gegrond verklaarde en het CBR opdroeg een nieuw besluit te nemen.
Het CBR ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het begrip 'beroepsmatig gebruik' in de Regeling eisen geschiktheid niet beperkt moet worden tot beroepschauffeurs, maar ook het zakelijke gebruik door bijvoorbeeld een advocaat omvat. Omdat de betrokkene niet voldeed aan de strengere eisen voor een groep 2-rijbewijs, was het CBR verplicht de beperking tot privégebruik op te leggen.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van het CBR ongegrond. Tevens vernietigde zij het besluit van 4 december 2003, omdat het CBR niet opnieuw op het bezwaar had mogen beslissen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het beroep tegen het besluit van het CBR ongegrond en bevestigt de beperking van het rijbewijs tot privégebruik.