ECLI:NL:RVS:2004:AQ6608

Raad van State

Datum uitspraak
3 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200405627/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-Van Bilderbeek
  • E.M. Ouwehand
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning Havanasingel Den Haag

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 24 december 2002 aan ING Vastgoed Ontwikkeling B.V. een vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van een woningbouwcomplex met 10 appartementen en 28 eengezinswoningen aan de Havanasingel te Den Haag.

Verzoekers maakten bezwaar tegen deze vergunning, maar hun bezwaren werden niet-ontvankelijk verklaard door het college. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van verzoekers tegen deze beslissing ongegrond. Verzoekers stelden vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening om de bouwvergunning te schorsen.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 22 juli 2004 en oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen omdat de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren betekent dat er nog geen inhoudelijk oordeel over de bezwaren is gegeven. Er was geen reden om aan te nemen dat de uitspraak in de bodemprocedure niet stand zou houden.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 3 augustus 2004 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200405627/2.
Datum uitspraak: 3 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 juni 2004 in het geding tussen:
verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 24 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan ING Vastgoed Ontwikkeling B.V. (binnenplanse) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woningbouwcomplex bevattende 10 appartementen en 28 eengezinswoningen aan de Havanasingel te Den Haag.
Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft het college de daartegen gerichte bezwaren van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 1 juni 2004, verzonden op 2 juni 2004, heeft de rechtbank  ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 4 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Tevens hebben zij bij die brief de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juli 2004, waar [een van de verzoekers] in persoon en het college, vertegenwoordigd door E.R.J. Herklots en N.C.C.M. Lemmens, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is ING Vastgoed Ontwikkeling B.V. bij monde van P.G. Cusell daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Allereerst zij vermeld dat het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, die ertoe strekt dat de bouwvergunning wordt geschorst, zeer verstrekkende gevolgen heeft, nu verzoekers niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaar tegen die bouwvergunning en de rechtbank het beroep hiertegen ongegrond heeft verklaard. Gelet op die niet-ontvankelijkverklaring is het college en de rechtbank immers niet aan een inhoudelijk oordeel omtrent de bezwaren toegekomen. Indien in de bodemprocedure al zou worden geoordeeld dat de niet-ontvankelijkverklaring geen stand kan houden, dient het college alsnog op de bezwaren tegen de verleende vrijstelling en bouwvergunning te beslissen. In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht is bovendien geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.
2.2.     Gelet op het vorenstaande, dient het verzoek te worden afgewezen.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-Van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-Van Bilderbeek    w.g. Ouwehand
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2004
224.