ECLI:NL:RVS:2004:AQ6628
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- M.H. Broodman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving verwijdering lichtkoepel op woonark wegens overtreding verordening
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum heeft appellant bevolen binnen acht weken een zonder vergunning aangebrachte lichtkoepel op het dak van zijn woonark te verwijderen, omdat deze in strijd is met artikel 2.5 van de Verordening op de haven en het binnenwater 1995. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het dagelijks bestuur werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de voorzieningenrechter het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat hoewel hij erkent geen vergunning te hebben gehad, hij betwistte dat de lichtkoepel niet gelegaliseerd kon worden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht handhavend kon optreden omdat de lichtkoepel de hoogte van de woonark verhoogde tot 3,08 meter, wat de maximale hoogte van 2,50 meter volgens de Vervangingsrichtlijnen aanzienlijk overschrijdt.
De Afdeling stelde vast dat het dagelijks bestuur conform het geldende beleid heeft gehandeld en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die handhaving onnodig maakten. De toepassing van de Vervangingsrichtlijnen op deze verbouwing was niet onrechtmatig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bestuursrechtelijke handhaving bevestigd.