ECLI:NL:RVS:2004:AQ7448

Raad van State

Datum uitspraak
25 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307226/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • W. Konijnenbelt
  • H.Ph.J.A.M. Hennekens
  • Ch.W. Mouton
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:13 AwbArt. 7:15 AwbArt. 5:32 AwbArt. 125 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing handhavingsverzoek houtimpregneerbedrijf Sint-Oedenrode

Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode om onder dwangsom de houtimpregneeractiviteiten van vergunninghoudster te beëindigen vanwege vermeende illegale uitstoot van verontreinigde stoom met arseen en chroom VI.

Verweerder wees het verzoek af, stellende dat eventuele emissies beperkt en inherent zijn aan het proces en dat de vergunning van 1991 dit toestaat. Appellanten betwistten de onafhankelijkheid van het advies waarop verweerder zich baseerde en stelden dat de uitstoot niet vergunningplichtig was.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het impregneerproces gesloten plaatsvindt en dat emissies alleen kortstondig optreden bij het openen van de ketel, wat als vergund moet worden beschouwd. Het deskundigenbericht en eerdere rapporten ondersteunen dit oordeel. De Afdeling verwierp de bezwaren van appellanten en verklaarde het beroep ongegrond.

Daarnaast wees de Afdeling het verzoek om vergoeding van proceskosten af en zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen. Het besluit van verweerder werd daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200307226/1.
Datum uitspraak: 25 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], beiden wonend te Sint-Oedenrode,
en
het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij brief van 6 januari 2002 hebben appellanten verweerder onder meer verzocht om onder oplegging van een last onder dwangsom [vergunninghoudster] te verplichten alle houtimpregneeractiviteiten die zij binnen de door haar gedreven inrichting op het perceel [locatie] te Sint-Oedenrode uitvoert, onmiddellijk te beëindigen.
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek hebben appellanten bij brief van 29 november 2002 beroep bij de Afdeling ingesteld. Het beroepschrift is op 2 december 2002 naar verweerder doorgezonden ter verdere afhandeling als bezwaarschrift.
Bij besluit van 18 december 2002, kenmerk 02/62, heeft verweerder het verzoek afgewezen.
Bij brief van 27 januari 2003 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 september 2003, verzonden op 22 september 2003, heeft verweerder het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 6 januari 2002 gegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2002 ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 31 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 november 2003.
Bij brief van 4 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 3 mei 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2004, waar [een van de appellanten], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J.A.F.M. Vorstenbosch, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    [Vergunninghoudster] exploiteert een houtimpregneerbedrijf te Sint-Oedenrode. Als impregneermiddel werd ten tijde van het bestreden besluit een superwolmanzout-oplossing gebruikt bestaande uit chroom-, koper- en arseenzouten. Fixatie van het impregneermiddel in het hout vindt plaats met behulp van stoom. Vergunninghoudster beschikt hiervoor over een krachtens de Hinderwet (thans Wet milieubeheer) verleende revisievergunning van 19 november 1991.
2.2.    Verweerder heeft voor de motivering van het bestreden besluit verwezen naar het advies van 9 april 2003 van de door hem ingestelde adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.3.    Voorzover appellanten stellen dat het advies van 9 april 2003 geen deugdelijke basis biedt om op grond daarvan een beslissing op hun bezwaren te nemen dan wel dat de adviescommissie niet onafhankelijk is, overweegt de Afdeling dat zij in hetgeen appellanten hiertoe aanvoeren onvoldoende aanknopingspunten ziet om tot een dergelijk oordeel te komen.
2.4.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2.5.    Appellanten menen dat uit de inrichting van vergunninghoudster stoom wordt uitgestoten die onder andere arseen en chroom VI bevat, zonder dat voor die uitstoot vergunning is verleend. Zij wijzen er in dit verband op dat in de aanvraag die ten grondslag ligt aan de vergunning van 19 november 1991, is vermeld dat uitstoot van impregneermiddel of componenten daarvan naar het compartiment lucht is uitgesloten. De onderzoeksrapporten waarnaar verweerder verwijst ter motivering van zijn standpunt zijn naar de mening van appellanten niet bruikbaar in de onderhavige situatie omdat deze betrekking hebben op andere bedrijven en bovendien berusten op onderzoek dat niet onpartijdig is uitgevoerd.
2.6.    Verweerder heeft het handhavingsverzoek van appellanten afgewezen en stelt zich op het standpunt dat hij de bezwaren daartegen terecht ongegrond heeft verklaard. Hij meent dat, zo al sprake is van het vrijkomen van verontreinigd stoom en van een overtreding van de vergunning van 19 november 1991, de mate van verontreiniging zo beperkt is dat hij in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhaving. Verweerder heeft zich bij dit oordeel gebaseerd op het rapport “Concentraties van totaal en zeswaardig chroom, arseen en koper in de lucht bij houtverduurzamingsbedrijven in Nederland. Evaluatie van de risico’s voor omwonenden” van september 1997, alsmede op het rapport “Aanvullend onderzoek naar concentraties koper, chroom en arseen in luchtstof, bodem en gras bij houtverduurzamingsbedrijven in Nederland” van oktober 1998, beide opgesteld door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
2.7.    Vooreerst overweegt de Afdeling als volgt. In het kader van de onderhavige procedure is door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) een deskundigenbericht uitgebracht. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot dit advies ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding om aan de hierin neergelegde conclusies te twijfelen.
2.8.    In de van de revisievergunning deel uitmakende aanvraag staat op bladzijde 4 vermeld dat de procesvoering van het impregneerproces zo plaatsheeft dat expiratie van impregneermiddel (zowel van de impregneervloeistof als van het gereed product of componenten daarvan) naar de lucht is uitgesloten. Derhalve is emissie van verontreinigd stoom tijdens het impregneerproces verboden. Volgens het deskundigenbericht vinden tijdens het impregneerproces geen emissies van arseen, chroom en koper plaats, nu gedurende dit proces de ketel met daarin het impregneermiddel gesloten is. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die wijzen op een hiervan afwijkende bedrijfsvoering. Het vorenstaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat in zoverre geen sprake is van overtreding van de vergunning van 19 november 1991.
Na beëindiging van het impregneerproces, waarbij de ketel wordt geopend en de houtstapels na verwijdering uit de ketel vervolgens uit de installatie worden gereden, kunnen de uittredende dampen blijkens het deskundigenbericht sporen bevatten van het impregneermiddel. De Afdeling is evenwel van oordeel dat een dergelijke, niet te voorkomen, kortstondige en beperkte emissie inherent is aan het aangevraagde bedrijfsproces. Er moet dan ook van worden uit gegaan dat dit is vergund. Niet gebleken is dat emissie van verontreinigd stoom zich buiten deze specifieke bedrijfssituatie voordoet. Derhalve kan ook in zoverre niet worden geoordeeld dat vergunninghoudster in overtreding is. Verweerder heeft de bezwaren van appellanten tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek, gelet op het vorenstaande, terecht afgewezen.
De enkele omstandigheid dat verweerder geen metingen heeft verricht naar de emissie van verontreinigd stoom, maar zich bij de beoordeling van het verzoek van appellanten heeft gebaseerd op de twee genoemde rapporten doet aan vorenstaand oordeel niet af. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking de omstandigheid dat blijkens het deskundigenbericht deze rapporten een beeld van de emissies van verontreinigd stoom geven dat ook representatief is voor de bedrijfsvoering van vergunninghoudster.
2.9.    Voorzover appellanten aanvoeren dat verweerder bij de vergunningverlening rekening had moeten houden met het Indicatief Meerjarenprogramma Milieubeheer 1986-1990 (IMP-Milieubeheer 1986-1990, Kamerstukken II 1985/86, 19 204, nr. 2), overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het thans voorliggende besluit, zodat deze reeds hierom niet kan slagen.
2.10.    In hetgeen appellanten voor het overige nog hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit.
2.11.    Voorzover appellanten hebben verzocht om vergoeding van de kosten van het maken van bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun verzoek om handhaving overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 23 juni 2004, nr.
200401369/1, dat artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geen grondslag biedt voor de verzochte vergoeding.
Het beroep treft in zoverre geen doel.
2.12.    De Afdeling zal geen prejudiciële vragen stellen zoals door appellanten in het beroepschrift is verzocht, nu dat niet nodig is voor de beoordeling van het voorliggende bestreden besluit.
2.13.    Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt    w.g. Scheerhout
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2004
318.