ECLI:NL:RVS:2004:AQ7460

Raad van State

Datum uitspraak
25 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308778/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. Schaafsma
  • D. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 WmArt. 8.10 WmArt. 8.11 WmAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen revisievergunning milieubeheer voor paardenpension en beheersmaatschappij

Verweerder heeft krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend aan een beheersmaatschappij voor grond- en cultuurtechnische werken met paardenpension en paardenstalling. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, met name vanwege geluidhinder en de nabijheid van zijn woning.

De vergunning bevat voorschriften met geluidgrenswaarden voor dag-, avond- en nachtperioden, die niet in geschil zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de aanvraag en bijbehorende stukken onderdeel uitmaken van het besluit en dat manegeactiviteiten niet plaatsvinden, waardoor geluidsoverlast door omroepinstallaties of instructies niet aan de orde is.

De paardenbak is afgeschermd door een loods en de woning van appellant ligt op circa 70 meter afstand van de paardenstal. Verweerder stelde dat de extra vervoersbewegingen beperkt zijn en de geluidbelasting gering. De Afdeling vond geen aanleiding te twijfelen aan de naleving van de geluidnormen en verwierp het beroep. Ook het verzoek om een geluidwerende afscheiding werd afgewezen omdat dit niet in de aanvraag was opgenomen.

De Afdeling oordeelde dat het bezwaar tegen controle op personen op het terrein niet op de vergunning betrekking heeft en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de revisievergunning milieubeheer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200308778/1.
Datum uitspraak: 25 augustus 2004.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2003, kenmerk 315540, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een beheersmaatschappij voor grond en cultuurtechnische werken annex paardenpension en paardenstalling gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Albrandswaard, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 13 november 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 18 februari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2004, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door M.M.W. Schrier en ing. L.C. Luijendijk, gemachtigden, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde].
2.    Overwegingen
2.1.    De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft onder andere betrekking op het houden van 20 pensionpaarden en 5 privépaarden.
Eerder is voor de onderhavige inrichting op 12 december 2000 een oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch landbouwbedrijf, een aannemersbedrijf in grond-, weg- en waterwerkzaamheden alsmede een houdster- en beheersmaatschappij.
2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.
2.3.    Appellant vreest voor geluidhinder. Hij wijst op het aantal dagen en uren dat het onderhavige bedrijf in werking is, het aantal personen dat op het terrein van de inrichting aanwezig is alsmede de korte afstand van het bedrijf tot zijn woning. Appellant is voorts van mening dat een geluidwerende afscheiding noodzakelijk is.
2.3.1.    Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.
In voorschrift 6.1.1 zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau grenswaarden opgenomen van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
In voorschrift 6.1.2 zijn voor het maximale geluidniveau grenswaarden opgenomen van 55, 50 en 45 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
2.3.2.        Niet in geschil is dat de in de voorschriften 6.1.1 en 6.1.2 opgenomen geluidnormen toereikend zijn. Het geding betreft de naleefbaarheid van de in voornoemde voorschriften opgenomen geluidgrenswaarden.
De aanvraag en de daarbijbehorende stukken maken blijkens het dictum van het bestreden besluit onderdeel uit van dit besluit. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend.
Uit de aanvraag en bijbehorende bescheiden volgt dat in totaal 25 paarden binnen de inrichting, een paardenpension, worden gehouden. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is van manegeactiviteiten geen sprake, zodat voor geluidoverlast door omroepinstallaties dan wel roepende instructeurs en kinderen niet behoeft te worden gevreesd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de paardenbak, die op circa 50 meter van de dichtst bij de inrichting gelegen woning van derden, de woning van appellant, is gelegen, wordt afgeschermd door een loods. De woning van appellant is op een afstand van circa 70 meter van de paardenstal gelegen. Als gevolg van de paardenpensionactiviteiten neemt het aantal vervoersbewegingen met personenauto’s ten opzichte van de eerder vergunde situatie evenwel toe. Ter zitting heeft verweerder echter betoogd dat de geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woning door deze vervoersbewegingen, gelet op het in de aanvraag vermelde aantal vervoersbewegingen alsmede de spreiding hiervan over de dag- en avondperiode, gering is.
Wat betreft de overige activiteiten in de inrichting volgt uit voornoemde stukken dat met de aangevraagde machines en voertuigen hoofdzakelijk op locatie wordt gewerkt. Deze machines en voertuigen worden twee maal per jaar ten behoeve van onderhoud- en reparatiewerkzaamheden die niet op locatie kunnen worden uitgevoerd op de inrichting geplaatst. Verder vinden er blijkens de aanvraag slechts in de dagperiode een gering aantal voertuigbewegingen met de heftruck, tractor en vrachtwagen plaats.
Gelet op hetgeen verweerder bij de beoordeling van het geluid heeft betrokken alsmede de aard van de inrichting en de soort activiteiten, is er naar het oordeel van de Afdeling geen reden aan te nemen dat de inrichting niet kan voldoen aan de gestelde geluidgrenswaarden. Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de geluidwerende afscheiding kan, gelet op het vorenstaande en nu voorts een geluidwerende voorziening niet in de aanvraag is vermeld, geen doel treffen.
Dit beroepsonderdeel faalt.
2.3.3.    Voorzover appellant aanvoert dat er enige controle op de personen die op het terrein aanwezig zijn ontbreekt, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning.
2.4.    Het beroep is ongegrond.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.
w.g. Schaafsma    w.g. Van Leeuwen
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2004.
374.