AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging bestuursdwangbesluit inzameling huishoudelijk afval in Leiden
Appellant werd geconfronteerd met een bestuursdwangbesluit van de gemeente Leiden vanwege het aanbieden van twee huisvuilzakken met huishoudelijk afval aan de Lammenschansweg, in strijd met de Afvalstoffenverordening 1999. De bestuursdwang bestond uit het opruimen van deze zakken en het opleggen van de kosten hiervan aan appellant.
Appellant stelde dat de huisvuilzakken niet van hem afkomstig waren. Verweerder wijzigde later zijn standpunt en baseerde het besluit niet langer op de zakken, maar op los aangetroffen afval naast de container. De Afdeling oordeelde dat verweerder daardoor niet bevoegd was bestuursdwang toe te passen ten opzichte van appellant met betrekking tot de zakken.
Daarnaast ontbrak een deugdelijke motivering van het besluit, mede omdat het bezwaar kennelijk onterecht ongegrond werd verklaard en appellant niet de gelegenheid kreeg tot hoorzitting. De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De gemeente werd tevens verplicht het griffierecht aan appellant te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestuursdwangbesluit wordt vernietigd wegens gebrek aan bevoegdheid en motivering.
Uitspraak
200402001/1.
Datum uitspraak: 1 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 januari (lees: augustus) 2003, kenmerk 2003/55309, heeft verweerder appellant medegedeeld dat op 30 juli 2003 bestuursdwang als geregeld in artikel 5:21 vanPro de Algemene wet bestuursrecht is toegepast ter zake van het, in strijd met artikel 20, derde lid, in samenhang met artikel 10, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 1999, door appellant ter inzameling aanbieden van twee huisvuilzakken met huishoudelijke afvalstoffen aan de Lammenschansweg te Leiden. De bestuursdwang heeft bestaan uit het opruimen van de twee huisvuilzakken. Tevens heeft verweerder kenbaar gemaakt dat de kosten voor het opruimen, zijnde een bedrag van € 54,46, op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor rekening van appellant komen.
Bij besluit van 21 januari 2004, kenmerk II-306-2002/2355309, verzonden op 2 februari 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 21 april 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2004, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door C. Bengoua-Van Duijn, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:21 vanPro de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
2.2. Appellant betoogt dat hij de overtreding waartegen is opgetreden niet heeft begaan, omdat de desbetreffende huisvuilzakken niet van hem afkomstig zijn.
Ter zitting heeft verweerder kenbaar gemaakt dat hij zich voor het bestreden besluit niet langer baseert op de twee aangetroffen huisvuilzakken, maar op naast de container op de Lammenschansweg los aangetroffen afvalstoffen. De Afdeling leidt hieruit af dat verweerder zich niet langer op het standpunt stelt dat de twee huisvuilzakken, terzake waarvan bestuursdwang is toegepast, afkomstig zijn van appellant.
Gelet hierop was verweerder niet bevoegd om ten opzichte van appellant over te gaan tot toepassing van bestuursdwang met betrekking tot de twee huisvuilzakken. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 5:21 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
2.3. Ten overvloede wordt overwogen dat het bestreden besluit, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet berust op een deugdelijke motivering. De Afdeling overweegt daartoe dat in de overwegingen van het advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften, welke overwegingen in het bestreden besluit zijn overgenomen, staat vermeld dat ín een vuilniszak door de desbetreffende controleur diverse aan appellant geadresseerde poststukken zijn aangetroffen. Volgens het rapport dat is opgemaakt op 9 september 2003 door deze controleur, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting heeft daarentegen de controleur, ook na diepgaand onderzoek, ín huisvuilzakken geen gegevens van appellant gevonden. Voorts overweegt de Afdeling in dit verband dat verweerder, in strijd met artikel 7:2, in samenhang met artikel 7:3, van de Algemene wet bestuursrecht, het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft geacht en belanghebbenden ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.
2.4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet op het voorgaande, kan de beslissing op het bezwaar slechts strekken tot herroeping van het primaire besluit. De Afdeling zal daarom, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden van 21 januari 2004, kenmerk II-306-2002/2355309;
III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden van 6 januari (lees: augustus) 2003, kenmerk 2003/55309;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
V. gelast dat de gemeente Leiden aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.