ECLI:NL:RVS:2004:AQ8721

Raad van State

Datum uitspraak
1 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402191/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Subsidieregeling natuurbeheer 2000Art. 14 Subsidieregeling natuurbeheer 2000Art. 94 Subsidieregeling natuurbeheer 2000Art. 97 Subsidieregeling natuurbeheer 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling natuurgebiedsplan Zuidwest Utrecht ondanks bezwaren appellant

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht stelde op 28 mei 2002 het natuurgebiedsplan Zuidwest Utrecht vast. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat het plan nadelige gevolgen heeft voor zijn bedrijfsvoering en toekomstige planologische situatie. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de vaststelling van het natuurgebiedsplan geen directe wijziging brengt in de bestemming of het gebruik van de landbouwgronden van appellant. Het bestaande gebruik kan worden voortgezet. Wel erkende de Afdeling dat het plan indirecte gevolgen kan hebben, zoals beperkingen bij uitbreiding van het bedrijf en mogelijke waardevermindering van de gronden. Deze belangenafweging achtte de Raad van State door het college op redelijke wijze gemaakt.

Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de bezwaren van appellant omtrent het landinrichtingsplan en onzekerheid over subsidieregelingen niet relevant zijn voor het besluit tot vaststelling van het natuurgebiedsplan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de vaststelling van het natuurgebiedsplan Zuidwest Utrecht wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200402191/1.
Datum uitspraak: 1 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 februari 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) het natuurgebiedsplan Zuidwest Utrecht (hierna: het natuurgebiedsplan) vastgesteld.
Bij uitspraak van 3 februari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 23 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door J.H. Geschiere, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door drs. M.M.W. Hoevenaar, drs. H.C. Thomassen en mr. N.M. de Vries, gemachtigden, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef, van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 (zoals gepubliceerd in Stcrt. 1999, 252; hierna: de Subsidieregeling), voor zover thans van belang, worden ten behoeve van de uitvoering van deze regeling natuurgebieden begrensd met de vaststelling van natuurgebiedsplannen.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Subsidieregeling, voor zover thans van belang, worden natuurgebiedsplannen vastgesteld bij besluit van gedeputeerde staten.
In de toelichting bij de Subsidieregeling is vermeld dat deze regeling is gericht op gebieden waar de instandhouding of ontwikkeling van natuurwaarden en van bos de primaire functie vormt. Voor zover het daarbij gaat om landbouwgronden, betreft het functiewijziging. Subsidies voor ontwikkeling en omvorming kunnen alleen worden verleend ten aanzien van terreinen gelegen in natuurgebiedsplannen. In gevallen waarin voor functiewijziging van de grond een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk is, kan pas subsidie voor functieverandering worden verleend vanaf het tijdstip dat een dergelijke wijziging van het bestemmingsplan definitief is, aldus de toelichting.
De vaststelling van het natuurgebiedsplan doet ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Subsidieregeling, voor zover thans van belang, naast de aanspraak op subsidies tevens een verwervingsplicht ontstaan voor het bureau beheer landbouwgronden, indien gronden gelegen binnen het natuurgebiedsplan dit bureau worden aangeboden, tenzij krachtens artikel 97 is Pro bepaald dat op de koopplicht geen beroep meer kan worden gedaan.
2.2.    De rechtbank heeft overwogen dat de uitvoering van het natuurgebiedsplan plaatsvindt op basis van vrijwilligheid. Zij heeft geoordeeld dat de vaststelling van het natuurgebiedsplan op zichzelf geen concrete wijzigingen in gebruik en beheer van de gronden van appellant meebrengt. De door appellant gestelde gevolgen hiervan kunnen, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet worden aangemerkt als gevolgen van de vaststelling van het natuurgebiedsplan. Zij heeft vervolgens geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij de afweging van de bij de vaststelling van het natuurgebiedsplan betrokken belangen niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van natuur- en landschapsbehoud dan aan de belangen van appellant.
2.3.    Appellant betoogt – samengevat – dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen nadeel ondervindt van de vaststelling van het natuurgebiedsplan. Hij stelt dat het natuurgebiedsplan van invloed is op de toekomstige planologische situatie en dat de vaststelling daarvan een belemmering vormt voor zijn bedrijfsvoering.
2.4.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de vaststelling van het natuurgebiedsplan in planologisch opzicht geen directe gevolgen heeft voor de in dat gebied gelegen landbouwgronden van appellant, omdat door die vaststelling noch de bestemming van die gronden, noch het gebruik daarvan wordt gewijzigd. Het bestaande gebruik kan derhalve worden voortgezet.
Wel moet onder ogen worden gezien dat de vaststelling van het natuurgebiedsplan van invloed kan zijn op de toekomstige bedrijfsvoering van appellant in dier voege dat uitbreiding van zijn bedrijf beperkingen kan ondervinden in de mate waarin het natuurgebiedsplan wordt gerealiseerd. Ook valt niet uit te sluiten dat dit indirecte effecten heeft voor de waarde van het bedrijf en de daartoe behorende landbouwgronden in het vrije economische verkeer.
Dit mogelijke indirecte gevolg raakt het belang van appellant en dient derhalve bij de besluitvorming betrokken en afgewogen te worden.
Gelet op de stukken, het verhandelde ter zitting en de verwervingsplicht van het bureau beheer landbouwgronden om de aangeboden in natuurgebiedsplannen liggende gronden tegen agrarische marktwaarde aan te kopen, bestaat er echter geen grond voor het oordeel dat het college bij de afweging van de bij de vaststelling van het natuurgebiedsplan betrokken belangen in redelijkheid niet meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemeen belang van natuur- en landschapsbehoud dan aan de belangen van appellant.
2.5.    Hetgeen appellant overigens betoogt met betrekking tot het landinrichtingsplan en de gevolgen daarvan en met betrekking tot de bij hem aanwezige onzekerheid inzake aanspraken op subsidie op grond van de Subsidieregeling, kan niet leiden tot een ander oordeel, omdat het besluit tot vaststelling van het natuurgebiedsplan geen besluit tot vaststelling van het landinrichtingsplan is en evenmin een besluit op een aanvraag tot subsidieverlening betreft.
2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin    w.g. Sparreboom
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2004
195-424.