ECLI:NL:RVS:2004:AQ8746

Raad van State

Datum uitspraak
1 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402233/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • S.W. Schortinghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling dat bouwvergunning weigering niet onzorgvuldig was bij lopend bestemmingsplanwijzigingsverzoek

Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel weigerde op 19 februari 2002 een bouwvergunning voor het oprichten van een bedrijfsloods en bedrijfswoning op een perceel in strijd met het bestemmingsplan. Het bezwaar van de wederpartij tegen deze weigering werd ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van de wederpartij tegen de weigering gegrond en vernietigde het besluit.

Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat de wet niet voorschrijft dat een aanvraag om bouwvergunning moet worden aangehouden als tegelijkertijd een verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan is ingediend. De bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan is een aparte procedure die niet automatisch de behandeling van de vergunningaanvraag mag vertragen.

De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de wederpartij ongegrond. Tevens werd overwogen dat het college het bezwaar terecht ongegrond had verklaard en dat er geen reden was voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

200402233/1.
Datum uitspraak: 1 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 februari 2004 in het geding tussen:
[wederpartij], gevestigd te [plaats]
en
appellant.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een bedrijfsloods en een bedrijfswoning op het perceel kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 3 september 2002 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 februari 2004, verzonden op 19 februari 2004, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 16 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 mei 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2004, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Vogel, ambtenaar der gemeente is verschenen. [wederpartij] is, met bericht, niet verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het bouwplan betreft de bouw van een bedrijfsloods en een bedrijfswoning ten behoeve van een op te richten boomkwekerij op het perceel. Het college heeft de bouwvergunning geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maasdriel".
2.2.    Het college betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college, door de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning niet aan te houden totdat op het verzoek van [wederpartij] om wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 11 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening onherroepelijk was beslist, niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht.
Dit betoog slaagt. Zoals het college terecht heeft aangevoerd voorziet de wet niet in een verplichting om een aanvraag om bouwvergunning aan te houden indien tevens een verzoek om wijziging van het bestemmingsplan is gedaan. Nu de bevoegdheid van het college om het bestemmingsplan te wijzigen een aparte bevoegdheid betreft, waarbij de in artikel 11 van Pro de WRO geregelde procedure dient te worden gevolgd, hetgeen in dit geval met zich zou hebben gebracht dat de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning voor lange tijd had moeten worden uitgesteld, bestaat ook geen grond voor het oordeel dat het college de aanvraag om bouwvergunning en het verzoek om planwijziging uit een oogpunt van zorgvuldigheid in samenhang had moeten bezien. De rechtbank heeft dit miskend.
2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het door [wederpartij] tegen de weigering van de bouwvergunning ingediende bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat het college ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, ervan kon afzien om [wederpartij] terzake te horen.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de aangevallen uitspraak, kenmerk AWB 02/2218;
III.    verklaart het door [wederpartij] B.V. bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump    w.g. Schortinghuis
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2004
68-422.