ECLI:NL:RVS:2004:AQ9907

Raad van State

Datum uitspraak
30 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200406047/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • P. Plambeck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen nadere milieueisen horeca-inrichting Maastricht

Verzoekster, Vesuvius Wijck B.V., maakte bezwaar tegen een besluit van 9 juni 2004 waarbij het college van burgemeester en wethouders van Maastricht nadere eisen oplegde aan McDonald’s restaurant Maastricht Wijck met betrekking tot het maximale equivalente geluidniveau aan de achterzijde van het horecabedrijf.

De Voorzitter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 augustus 2004. Verzoekster stelde dat de opgelegde geluidsnormen in de dag-, avond- en nachtperiode te streng waren en vroeg om schorsing van het besluit.

De Voorzitter nam in overweging dat het college had toegezegd niet tot handhaving over te gaan voordat op het bezwaar was beslist en het besluit onherroepelijk was. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang voor de voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 30 augustus 2004 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen nadere milieueisen aan horecagelegenheid werd afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

a200406047/1.
Datum uitspraak: 30 augustus 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de besloten vennootschap "Vesuvius Wijck B.V.", gevestigd te Maastricht,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2004, kenmerk SOG 2004-19068, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder krachtens artikel 5 van Pro het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) aan “McDonald’s restaurant Maastricht Wijck” nadere eisen opgelegd met betrekking tot de horeca-inrichting op het perceel Wycker Brugstraat 16 te Maastricht.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 21 juli 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 augustus 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, en R.T. Allan, C.M.M. Jongen en R.J.H. Poppelier, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F.H.P. Konings en ing. G. van den Hove, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het bezwaar van verzoekster is gericht tegen de bij het bestreden besluit opgelegde nadere eis onder 1. Deze nadere eis strekt ertoe dat, in afwijking van het gestelde in voorschrift 1.1.1. van de bijlage bij het Besluit, het equivalente geluidniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van woningen van derden aan de achterzijde van het horecabedrijf niet meer mag bedragen dan 45, 40 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
2.2.    De Voorzitter overweegt dat verweerder ter zitting heeft toegezegd niet eerder tot eventuele handhaving van de nadere eis te zullen overgaan, dan nadat op het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2004 is beslist en dat besluit onherroepelijk is geworden. Gelet hierop is de Voorzitter dan ook van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek komt daarom niet voor inwilliging in aanmerking.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen    w.g. Plambeck
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2004
159-443.