ECLI:NL:RVS:2004:AQ9921

Raad van State

Datum uitspraak
2 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200404392/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.J. Hoekstra
  • A.P. de Rooy
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1:2 AwbArt. 17, tweede lid Ontgrondingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake ontgrondingsvergunning voor insteekhaven

Verweerder verleende op 13 april 2004 een vergunning onder voorschriften op grond van de Ontgrondingenwet aan een vergunninghoudster voor het ontgronden van een perceel ten behoeve van het graven van een insteekhaven voor een bedrijventerrein.

Verzoekster, een ontwikkelingsmaatschappij, stelde dat de vergunning ten onrechte was verleend omdat een concurrent zich op het bedrijventerrein zou vestigen en gebruik zou maken van de insteekhaven, wat tot omzetverlies zou leiden. Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit en vroeg om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter oordeelde dat het belang van verzoekster niet rechtstreeks bij het besluit was betrokken, aangezien de vergunning niet uitsluitend ten behoeve van een concurrent werd verleend en er geen direct verband was tussen het besluit en de concurrentiepositie van verzoekster.

Daarom achtte de Voorzitter het waarschijnlijk dat het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang van verzoekster niet rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

Uitspraak

200404392/2.
Datum uitspraak: 2 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de naamloze vennootschap "N.V. Ontwikkelingsmaatschappij Rail Service Centrum Groningen", gevestigd te Veendam,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Groningen,
verweerder.
1.    Procesverloop
Verweerder heeft bij besluit van 13 april 2004, nr. 2004-12.000/16,MV, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Ontgrondingenwet verleend aan [vergunninghoudster] voor het ontgronden van (gedeelten van) het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […].
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 27 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 juni 2004.
Bij brief van 27 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 augustus 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J. Veltman, advocaat te Groningen, en ing. W.J. Dirksen, directeur, en verweerder, vertegenwoordigd door C.H. Dijkstra en D.J.P. Wever, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. W.H.R. van Boetzelaer, advocaat te Leeuwarden, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    De ontgrondingsvergunning voorziet, voorzover hier van belang, in het graven van een zogenoemde insteekhaven ten behoeve van een te realiseren bedrijventerrein.
2.3.    Verzoekster stelt dat de vergunning ten onrechte is verleend en voert aan dat een concurrent zich op het te realiseren bedrijventerrein zal vestigen en van de te graven insteekhaven gebruik zal maken waardoor zij omzetverlies zal leiden.
2.4.    In artikel 17, tweede lid, van de Ontgrondingenwet is, voorzover hier van belang, bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit van het college van gedeputeerde staten op grond van Hoofdstuk II van deze wet, beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
De Voorzitter is voorshands van oordeel dat het belang van verzoekster niet rechtstreeks bij het door haar bestreden besluit is betrokken. Daarbij neemt hij het navolgende in aanmerking. Het belang van verzoekster in deze procedure bestaat, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, uit het veiligstellen van haar concurrentiepositie. De ontgrondingsvergunning voorziet evenwel niet in het graven van een insteekhaven uitsluitend ten behoeve van een concurrent van verzoekster. Er bestaat derhalve geen verband tussen de verleende vergunning en de concurrentiepositie van verzoekster. Ook anderszins is niet gebleken dat het belang van verzoekster rechtstreeks bij het door haar bestreden besluit is betrokken.
2.5.    Gelet op het vorenstaande acht de Voorzitter het waarschijnlijk dat het door verzoekster ingediende beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek dient te worden afgewezen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra    w.g. De Rooy
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2004
59-417.