ECLI:NL:RVS:2004:AR2158

Raad van State

Datum uitspraak
15 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200401221/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.G.C. Wiebenga
  • Ch.W. Mouton
  • P.C.E. van Wijmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 5:21 AwbArt. 5:32 AwbArt. 8.4 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering bestuurlijke handhaving spoorwegemplacement Nijmegen

Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen tegen het overstaan van goederenmaterieel op het spoorwegemplacement Nijmegen. Dit verzoek werd op 10 november 2003 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Appellanten stelden dat het overstaan niet was toegestaan op grond van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het overstaan van goederenwagons, die tijdelijk zonder locomotief op bepaalde sporen geparkeerd staan, is toegestaan binnen de vergunning. De vergunning en de aanvraag daarvan uit 1996 geven aan dat de sporen 11 en 83 tot en met 91 worden gebruikt ten behoeve van het goederenproces, inclusief het tijdelijk opstellen van wagons.

De Afdeling concludeerde dat er geen sprake is van een overtreding van de vergunning en dat de verweerder terecht heeft geoordeeld niet bevoegd te zijn tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen. De beroepsgrond dat de vergunning ontoereikend zou zijn vanwege milieugevolgen werd niet in deze procedure beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen bestuurlijke handhaving toe te passen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

200401221/1.
Datum uitspraak: 15 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2003, kenmerk G620/3.60884, verzonden op 10 november 2003, heeft verweerder een verzoek van appellanten om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het spoorwegemplacement Nijmegen, gelegen aan het Stationsplein 1-5 te Nijmegen, afgewezen.
Bij ongedateerd besluit, kenmerk G140/3.71249, verzonden op 7 januari 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2004, beroep ingesteld.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2004, waar namens appellanten [naam een der appellanten] in persoon is verschenen. Voorts is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “NS Railinfrabeheer B.V.” (hierna: NS Railinfrabeheer), tevens handelend onder de naam Prorail, als partij gehoord, vertegenwoordigd door ing. C.T.M. Bomers en J.W.A. Sontrop, gemachtigden.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:21 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2.2.    Appellanten stellen dat op het onderhavige spoorwegemplacement regelmatig goederenmaterieel overstaat. Deze overstand is volgens hen niet toegestaan op grond van de voor de inrichting geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Zij betogen dat verweerder ten onrechte niet handhavend tegen deze overtreding optreedt.
2.2.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het op grond van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer is toegestaan dat op het spoorwegemplacement goederenmaterieel overstaat. Hij concludeert dan ook dat de vergunning niet wordt overtreden, zodat hij niet bevoegd is bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen.
2.2.2.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting moet in het onderhavige geval onder het overstaan van goederenmaterieel worden begrepen de situatie waarin wagons van goederentreinen die uit de dienstregeling zijn gehaald, tijdelijk, zonder locomotief, op de sporen 11 en 83 tot en met 91 van het emplacement geparkeerd staan om op een later moment weer als trein te worden ingezet. Het aantal wagons dat op deze sporen overstaat, verschilt per moment. Ook de duur van de overstand van de desbetreffende wagons varieert. Gebleken is voorts dat de geparkeerde goederenwagons in beginsel leeg zijn. In geschil is of dit overstaan is toegestaan op grond van de voor de inrichting geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Hieromtrent overweegt de Afdeling als volgt.
Bij besluit van 6 juli 1998 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan NS Railinfrabeheer een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van die wet verleend voor het onderhavige spoorwegemplacement. Bij besluiten van 5 februari 2002 en 17 juni 2003 heeft verweerder, naar aanleiding van verschillende uitspraken van de Afdeling, een aantal van de aan deze vergunning verbonden voorschriften gewijzigd dan wel ingetrokken. Het besluit van 17 juni 2003 is inmiddels gedeeltelijk door de Afdeling vernietigd.
In voorschrift 1.1 van de revisievergunning van 6 juli 1998 is, voorzover hier relevant, bepaald dat de inrichting in werking moet zijn conform de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden en als zodanig gewaarmerkte rapporten, tekeningen en overige bescheiden, tenzij in de voorschriften anders is bepaald. Dit voorschrift is niet door verweerder gewijzigd bij de eerdergenoemde besluiten van 5 februari 2002 en 17 juni 2003. In paragraaf 3.5 van de aanvraag van 16 december 1996, die ten grondslag ligt aan de revisievergunning, zijn de activiteiten en werkzaamheden binnen de inrichting beschreven. Hierin is, voorzover hier relevant, vermeld dat op spoor 10 van het emplacement tijdelijk goederentreinen kunnen worden opgesteld om ingepast te worden in de dienstregeling voor het reizigersvervoer. Vermeld is verder dat de sporen 11 en 83 tot en met 91 van het emplacement worden gebruikt ten behoeve van het goederenproces. In de (gewijzigde) vergunningvoorschriften is hieromtrent niets anders bepaald. Ter beantwoording van de vraag of het overstaan van goederenmaterieel in het onderhavige geval is toegestaan, is de aanvraag van 16 december 1996 dan ook bepalend.
De Afdeling is van oordeel dat voormelde woorden in de aanvraag ten behoeve van het goederenemplacement mede inhouden dat er goederenwagons zullen overstaan op de sporen 11 en 83 tot en met 91 van het emplacement en dat de vergunning krachtens de Wet milieubeheer derhalve mede op deze activiteit betrekking heeft.
Er is in zoverre dan ook geen sprake van een overtreding van de vergunning. Verweerder heeft zich terecht niet bevoegd geacht bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen met betrekking tot het onderhavige spoorwegemplacement.
2.3.    Voorzover appellanten betogen dat de voor de inrichting geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer ontoereikend is nu hierin geen rekening is gehouden met de nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het overstaan van goederenmaterieel op het emplacement, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantast. Deze grond is gericht tegen de inhoud van de verleende vergunning als zodanig en kan in het kader van de onderhavige procedure dan ook niet worden beoordeeld.
2.4.    Het beroep is ongegrond.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.
w.g. Wiebenga    w.g. Melse
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2004
191-404.