ECLI:NL:RVS:2004:AR2203

Raad van State

Datum uitspraak
8 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308806/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 3 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 25 lid 4 bestemmingsplanvoorschriften Holten-Dorp, deelplan 2
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging bouwvergunning wegens onrechtmatige vrijstelling toiletruimte

Het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten verleende op 24 oktober 2000 een bouwvergunning voor de uitbreiding van een woonhuis, inclusief een uitbouw met een ingangspartij en een toiletruimte. Deze vergunning bevatte vrijstellingen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het bestemmingsplan “Holten-Dorp, deelplan 2”.

De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van een omwonende gegrond en vernietigde het besluit tot vergunningverlening, omdat de toiletruimte niet als onderdeel van de ingangspartij kon worden beschouwd en dus niet onder de vrijstellingsbevoegdheid viel. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat een toiletruimte niet valt onder de vrijstelling voor ingangspartijen zoals bedoeld in het bestemmingsplan. De Afdeling bevestigde daarom de vernietiging van het besluit en veroordeelde het college tot betaling van proceskosten aan de wederpartij.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van de bouwvergunning bevestigd.

Uitspraak

200308806/1.
Datum uitspraak: 8 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 november 2003 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te Holten
en
appellant.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2000, verzonden 16 november 2000, heeft appellant aan [vergunninghouder] vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: punt I) en vrijstelling met toepassing van artikel 25, vierde lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Holten-Dorp, deelplan 2” (hierna: punt II) en bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van een woonhuis (bouwen uitbouw/erker) op het perceel kadastraal bekend gemeente Holten, sectie […], nummer(s) […], plaatselijk bekend als [locatie].
Bij besluit van 20 december 2002, verzonden op 8 januari 2003, heeft appellant het daartegen door [wederpartij] en [partij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 10 november 2000 (lees: 24 oktober 2000), onder het laten vervallen van punt I van dat besluit, gehandhaafd.
Bij uitspraak van 20 november 2003, verzonden op die datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij]    ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 10 maart 2004 heeft [gemachtigde] namens [wederpartij] van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door M. Dijkstra, ambtenaar der gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het bouwplan voorziet in een uitbouw van de woning van vergunninghouder, bestaande uit een ingangspartij (inclusief toilet) en een erker.
2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan “Holten-Dorp, deelplan 2” rust op het betrokken perceel de bestemming “Woonhuizen A (Wh-A)”.
Ingevolge artikel 3, onder B, aanhef en sub 1, van de planvoorschriften mogen op de tot “Woonhuizen A” bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de woonhuizen uitsluitend binnen de bebouwingsvlakken – vrijstaand dan wel twee aaneen – worden gebouwd.
2.3.    Vast staat dat het bouwplan hiermee in strijd is omdat het bebouwingsvlak door de uitbreiding van de woning wordt overschreden.
Het college heeft met toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid in artikel 25, vierde lid, van de planvoorschriften bouwvergunning verleend.
Ingevolge dat artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het plan ten aanzien van het bepaalde over het bouwen van (hoofd-)gebouwen binnen het bebouwingsvlak en (lees: kunnen zij) toestaan dat de grenzen van het bebouwingsvlak worden overschreden door:
a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
b. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
c. erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits de bebouwingsgrens met niet meer dan 1,50 meter wordt overschreden.
2.4.    Het geschil spitst zich toe op de vraag of de in het bouwplan voorziene toiletruimte kan worden aangemerkt als behorende tot de ingangspartij als bedoeld in artikel 25, vierde lid, onder c, voornoemd. Dit is niet het geval. De rechtbank heeft met recht geoordeeld dat een toiletruimte geen onderdeel uitmaakt van een ingangspartij in de zin van de planvoorschriften en dat een toilet niet afzonderlijk is toegestaan. Appellant kon dan ook geen toepassing geven aan de vrijstellingsbevoegdheid om het bouwplan mogelijk te maken.
2.5.    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van appellant van 20 december 2002 niet in stand kan blijven. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat appellant de mogelijke alternatieven voor een toiletruimte voldoende heeft onderzocht en dat een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden, behoeft dan ook geen bespreking meer.
2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7.    Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten in de door [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende  rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Rijssen-Holten te worden betaald aan [wederpartij].
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink    w.g. Roelfsema
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2004
218-423.