AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen goedkeuring bestemmingsplan Pijlslaan en omgeving Haarlem
De gemeenteraad van Haarlem stelde op 8 oktober 2003 het bestemmingsplan “Pijlslaan en omgeving” vast, dat deels werd goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op 20 april 2004. Verzoekster, exploitant van een supermarkt in het plangebied, maakte bezwaar tegen de goedkeuring van het plan voor de vestiging van twee supermarkten met een gezamenlijk bruto vloeroppervlak van maximaal 4.000 m², stellende dat dit zou leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 30 augustus 2004. Uit de plankaart en de voorschriften bleek dat het gebied was aangeduid als “uit te werken gebied” en dat detailhandel tot maximaal 8.000 m² bvo was toegestaan, waarvan 4.000 m² voor twee supermarkten. Bebouwing mocht slechts plaatsvinden na goedgekeurde uitwerking, waarvoor nog geen ontwerp-uitwerking ter visie was gelegd.
De Voorzitter nam in aanmerking dat in afwachting van de bodemprocedure geen onomkeerbare besluiten zouden worden genomen en dat daardoor geen spoedeisend belang bestond voor het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
200404492/2.
Datum uitspraak: 15 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
"Vomar Voordeelmarkt B.V.", gevestigd te Alkmaar,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Haarlem het bestemmingsplan “Pijlslaan en omgeving” vastgesteld.
Bij zijn besluit van 20 april 2004, kenmerk 2003-42921, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 15 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 juni 2004.
Bij brief van 15 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 augustus 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Den Haag, en verweerder vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. S.A. Rooth, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plangebied omvat ongeveer 110 hectare en ligt in het zuidwesten van Haarlem.
Het plan heeft een consoliderend karakter, met uitzondering van een gebied rond het voormalige expeditieknooppunt (EKP) van de PTT aan de Westergracht. Dit gebied zal opnieuw worden ingericht, waarbij wordt gestreefd naar een combinatie van wonen, kantoren, detailhandel en bedrijven.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan gedeeltelijk goedgekeurd.
2.3. Verzoekster exploiteert een supermarkt in het plangebied. Zij stelt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voorzover dit de vestiging van twee supermarkten met een gezamenlijk bruto vloeroppervlak van maximaal 4.000 m² mogelijk maakt en verzoekt in zoverre schorsing van het bestreden besluit. Zij voert onder meer aan dat het plan op dit punt zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Zij stelt in dit verband dat de ruimte voor uitbreiding van het supermarktaanbod binnen de huidige markt slechts 300 tot 1.000 m² bruto vloeroppervlak bedraagt.
2.4. De Voorzitter stelt vast dat de gronden waarop het verzoek betrekking heeft op de plankaart zijn aangeduid als “uit te werken gebied”.
Ingevolge artikel 20, tweede lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn op de als zodanig aangeduide gronden onder meer de functies wonen, bedrijven (inclusief postdistributie), kantoren, maatschappelijke doeleinden en detailhandel toegestaan.
Ingevolge artikel 20, tweede lid, onder b, voorzover hier van belang, mag er maximaal 8.000 m² bruto vloeroppervlak (bvo) detailhandel worden gebouwd, waarvan niet meer dan 4.000 m² bvo mag worden gebruikt voor twee supermarkten, waarvan de grootste niet groter mag zijn dan 2.000 m² bvo.
Ingevolge artikel 20, vierde lid, onder a, mag bebouwing slechts plaatsvinden overeenkomstig een goedgekeurde uitwerking.
Ingevolge het bepaalde onder b van dit artikellid is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het onder a bepaalde indien het bouwwerk past in een, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening ter visie gelegde ontwerp-uitwerking, mits terzake van deze vrijstelling tevoren van gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.
Blijkens het verhandelde ter zitting is nog geen ontwerp-uitwerking als hiervoor bedoeld ter visie gelegd.
Voorts is ter zitting van gemeentewege en van de zijde van verweerder verklaard dat in afwachting van de bodemprocedure geen besluiten zullen worden genomen waardoor onomkeerbare gevolgen kunnen ontstaan.
Gelet hierop, is met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening geen spoedeisend belang gemoeid.
Het verzoek komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.