ECLI:NL:RVS:2004:AR2504

Raad van State

Datum uitspraak
14 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200405262/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D. Dolman
  • M.A. Voskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen goedkeuring bestemmingsplan Kotmanpark

Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Enschede het bestemmingsplan 'Kotmanpark' vastgesteld, dat voorziet in woningbouw en bedrijvigheid aan de Zuiderval te Enschede. Verzoekster heeft tegen de goedkeuring van dit plan door het college van gedeputeerde staten van Overijssel beroep ingesteld en tevens verzocht om een voorlopige voorziening.

Verzoekster betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de bestemming winkelcentrum voor haar bedrijfsbebouwing aan de Wethouder Beverstraat, dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden, dat het besluit in strijd is met wettelijke voorschriften en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, dat de economische uitvoerbaarheid niet is aangetoond, dat een bodemonderzoek ontbreekt en dat woningbouw binnen de veiligheidsafstand van aardgasleidingen is toegestaan.

De Voorzitter stelt vast dat het plan de bedrijfsbebouwing aan de Wethouder Beverstraat niet handhaaft maar bestemd als woonbebouwing. Het gemeentebestuur is met verzoekster in onderhandeling over de verwerving van deze gronden. De Voorzitter ziet geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid tot goedkeuring heeft kunnen komen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan Kotmanpark wordt afgewezen.

Uitspraak

200405262/2.
Datum uitspraak: 14 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft de gemeenteraad van Enschede het bestemmingsplan "Kotmanpark" vastgesteld.
Bij besluit van 27 april 2004, nummer RWB/2003/3370, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 25 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2004, beroep ingesteld.
Daarnaast heeft verzoekster zich bij brief van 25 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2004, tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 augustus 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat te Almelo, en drs. H.P. ter Kuile, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. van Maurik, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is de gemeenteraad van Enschede, vertegenwoordigd door drs. J. van Noord, ambtenaar van de gemeente, daar verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Het plan voorziet in de ontwikkeling van het gebied aan de Zuiderval te Enschede voor woningbouw en bedrijvigheid.
2.3.    Verzoekster stelt dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd, voor zover daarin de aan haar toebehorende bedrijfsbebouwing aan de Wethouder Beverstraat niet is bestemd als winkelcentrum. Zij voert aan dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden, dat het goedkeuringsbesluit is genomen in strijd met de wet en met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond, dat ten onrechte een bodemonderzoek ontbreekt en dat het plan ten onrechte voorziet in woningbouw binnen de veiligheidsafstand van aardgasleidingen.
2.4.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het desbetreffende plandeel te onthouden en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang dat is gediend bij inpassing van de aanwezige bebouwing niet opweegt tegen het belang dat is gediend met de totstandkoming van een hoogwaardige woon- en werklocatie.
2.5.    In het plan is aan de gronden die behoren tot het bedrijvencomplex aan de Wethouder Beverstraat de bestemming “Woonbebouwing” toegekend. Het plan voorziet derhalve niet in handhaving van de bedrijfsbebouwing van verzoekster.
2.6.    Het is de Voorzitter gebleken dat het gemeentebestuur inmiddels met verzoekster in  onderhandeling is getreden over de verwerving van haar gronden aan de Wethouder Beverstraat. De Voorzitter gaat ervan uit, gelet op hetgeen ter zitting hierover is medegedeeld, dat tussen partijen een oplossing kan worden bereikt die recht doet aan het belang van verzoekster.
De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot een afweging van belangen heeft kunnen komen waarin aan de in het plan voorziene woningbouw een doorslaggevend gewicht wordt toegekend. De Voorzitter ziet ook in hetgeen verzoekster verder aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan in zoverre niet heeft kunnen goedkeuren.
Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Dolman    w.g. Voskamp
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2004
370.