ECLI:NL:RVS:2004:AR2887

Raad van State

Datum uitspraak
29 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200401780/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 WmArt. 8.11 WmArt. 3:2 AwbArt. 8:60 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging revisievergunning vanwege onzorgvuldig besluit over maximale opslaghoogte puin

Bij besluit van 9 december 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een revisievergunning verleend aan appellante voor een inrichting voor opslag en bewerking van bouw- en sloopafval, waaronder puin en asfalt, voor een periode van tien jaar. De vergunning bevatte onder meer voorschrift 2.1.13, waarin de maximale hoogte van de buitenopslag van puin was vastgesteld op zes meter boven het maaiveld, een verlaging ten opzichte van de eerdere negen meter.

Appellante maakte bezwaar tegen deze beperking vanwege de gevolgen voor haar bedrijfsvoering en stelde dat een maximale hoogte van zeven meter toereikend zou zijn om zand- en stofoverlast te voorkomen. Tijdens de zitting gaf verweerder aan van mening te zijn dat zeven meter inderdaad voldoende zou zijn, wat afweek van het oorspronkelijke besluit.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluit in zoverre in strijd was met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat het besluit niet zorgvuldig was genomen door het standpunt achteraf te wijzigen zonder nieuwe besluitvorming. Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden voorschrift werd vernietigd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden voorschrift over maximale opslaghoogte puin wordt vernietigd wegens onzorgvuldige besluitvorming.

Uitspraak

200401780/1.
Datum uitspraak: 29 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2003, kenmerk 962098, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante voor een periode van tien jaar een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het opslaan en breken van bouw- en sloopafval, het opslaan en bewerken van teervrij asfalt, het opslaan en breken van teerhoudend asfalt, het opslaan van on- en/of bewerkt hout en het shredderen van afvalhout, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 2 februari 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2004, beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. Y.A. Breunesse, [gemachtigde] en ing. B. Hurks, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door P.W.J.M. Corvers en P.J. van der Linden, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.
2.2.    Appellante kan zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1.13, nu de maximale hoogte van de buitenopslag van puin ter hoogte van de Ampèrestraat naar aanleiding van ingediende bedenkingen inzake zand- en stofhinder is teruggebracht van negen naar zes meter boven het maaiveld.
2.3.    Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1.13 mag in de inrichting op de vergunningtekening aangegeven:
a.    ongebroken/gebroken teervrij asfalt;
b.    ongebroken/gebroken teerhoudend asfalt en
c.    opslag beton en puin gebroken
worden opgeslagen tot een maximale hoogte van zes meter boven het maaiveld.
2.4.    Verweerder heeft ter zitting gesteld bij nadere beschouwing van mening te zijn dat ook een maximale opslaghoogte van zeven meter toereikend is om zand- en stofoverlast te voorkomen. Nu verweerder zich op een ander standpunt stelt dan hij in zijn bestreden besluit heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat het besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.
2.5.    Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient voorzover het het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1.13 betreft, te worden vernietigd.
2.6.    Ten aanzien van het verzoek van appellante om verweerder te veroordelen in de kosten van het meebrengen van een deskundige ter zitting, overweegt de Afdeling het volgende. Van het meebrengen van een deskundige is niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mededeling gedaan, zodat de Afdeling betrokkene als gemachtigde van appellante beschouwt. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom in zoverre afgewezen. Verweerder dient voor het overige op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het beroep gegrond;
II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 9 december 2003, kenmerk 962098, voorzover het het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1.13 betreft;
III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 696,58, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellante;
IV.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis    w.g. Heijerman
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2004
255-415.