ECLI:NL:RVS:2004:AR3385
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan vreemdelingen
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de weigering van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie om hen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde hun beroepen ongegrond. Appellanten stelden in hoger beroep dat artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) rechtstreeks toepasbaar is en dat de belangen van hun minderjarige kind voorop moeten staan.
De Raad van State overweegt dat, zelfs indien het eerste lid van artikel 3 IVRK Pro als direct toepasbare norm zou gelden, deze slechts inhoudt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind moeten worden betrokken. Er is niet gesteld dat dit niet is gebeurd. De overige leden van artikel 3 IVRK Pro zijn niet zonder nadere nationale regelgeving direct toepasbaar. Daarom wordt het beroep op dit artikel verworpen.
De overige grieven van appellanten leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad van State verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.