Uitspraak
200304551/1, is dit beleid niet onredelijk.
Raad van State
De Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (RDW) heeft op 11 juni 2004 de erkenning van appellante sub 1 en de keuringsbevoegdheid van appellant sub 2 voor voertuigen tot 3500 kg voor zes weken ingetrokken wegens het niet beschikbaar houden van een voertuig tijdens een steekproef op 25 mei 2004.
Appellanten stelden dat zij niet te verwijten viel dat het voertuig afwezig was en dat zij alles hadden gedaan om dit te voorkomen. Zij voerden tevens aan dat de voorschriften met elkaar in strijd waren. De voorzieningenrechter en de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden echter dat appellanten niet aan hun verplichtingen hadden voldaan, met name door het niet tijdig melden van het wegrijden van het voertuig aan de RDW en het onvoldoende informeren van de eigenaar over de verplichtingen.
Het sanctiebeleid van de RDW, zoals neergelegd in de Toezichtbeleidsbrieven, werd als niet onredelijk beoordeeld. De intrekking werd beperkt tot zes weken, rekening houdend met de staat van dienst van appellanten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de erkenning en keuringsbevoegdheid is ongegrond verklaard en de intrekking voor zes weken bevestigd.