Uitspraak
200100106/2, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd.
Raad van State
Bij besluit van 25 november 2003 weigerde het college van burgemeester en wethouders van Schiedam een vergunning voor verfspuitactiviteiten in een straal- en spuitloods op een industrieterrein. Appellante sub 1 en appellant sub 2 stelden beroep in tegen dit besluit. De Raad van State oordeelde dat het college niet tijdig had beslist op een eerdere aanvraag, waardoor dat beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het beroep op de inhoudelijke gronden. De vergunning werd geweigerd vanwege geurhinder, waarbij verweerder strengere normen hanteerde dan het landelijke en gemeentelijke geurbeleid, met name vanwege de speciale aanpak in het Rijnmondgebied. Appellante sub 1 betoogde dat de gehanteerde normen onterecht streng waren en dat voorgestelde geurreducerende maatregelen zoals actief koolfilters niet kosteneffectief zijn. Appellant sub 2 vond de vergunning geheel te weigeren vanwege onvoldoende bescherming tegen geurhinder.
De Raad oordeelde dat het college onvoldoende had vastgesteld welk niveau van geurhinder acceptabel was bij de dichtstbijzijnde woningen en dat de motivering van het besluit ondeugdelijk was. Ook de aan het besluit verbonden geluidvoorschriften waren onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, omdat de Wet geluidhinder geen grenswaarden kent voor woningen op een gezoneerd industrieterrein. De beroepen werden gegrond verklaard, het besluit werd vernietigd voor de weigering van verfspuitactiviteiten en de geluidvoorschriften, en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van 25 november 2003 wordt vernietigd voor de weigering van verfspuitactiviteiten en de geluidvoorschriften; proceskosten en griffierechten worden vergoed.