ECLI:NL:RVS:2004:AR4300

Raad van State

Datum uitspraak
20 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402949/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Vlasblom
  • P.A. Offers
  • Ch.W. Mouton
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WoningwetArt. 15 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar tegen bestuursdwang woningwetvoorzieningen

Het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven heeft op 18 september 2002 een besluit genomen om voorzieningen te treffen aan een pand en bestuursdwang aan te zeggen indien niet binnen de gestelde termijn werd voldaan. Appellant, huurder en onderverhuurder van het pand, stelde dat hij als rechtstreeks belanghebbende moest worden aangemerkt vanwege zijn zeggenschap en onderhoudsverplichtingen.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij geen rechtstreeks belang had bij het besluit. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad overwoog dat het belang van appellant voortvloeit uit zijn contractuele relatie met de eigenaren en onderhuurders, en derhalve een afgeleid belang is dat niet rechtstreeks bij het besluit betrokken is.

Verder oordeelde de Raad dat de toepasselijke artikelen van de Woningwet geen grondslag bieden voor een rechtstreeks belang van appellant, omdat het besluit gericht was aan de eigenaren. Ook een brief van de gemachtigde van appellant bood geen aanknopingspunt voor een rechtstreeks belang. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond, zonder proceskostenveroordeling op te leggen.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200402949/1.
Datum uitspraak: 20 oktober 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2002 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven (hierna: het dagelijks bestuur) [partij] op grond van artikel 14 van Pro de Woningwet aangeschreven een aantal in een bijlage bij dat besluit genoemde voorzieningen te treffen aan het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) en hen bestuursdwang aangezegd indien de voorzieningen niet binnen de gestelde termijn zijn getroffen.
Bij besluit van 25 februari 2003 heeft het dagelijks bestuur - voor zover hier van belang - het daartegen door appellant gemaakte bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 februari 2004, verzonden op 27 februari 2004, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) - voor zover hier van belang - het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 10 juni 2004 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. drs. S.J. Brunia, gemachtigde, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door E.F.W. de Vogel-van der Donk, ambtenaar van de deelgemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zijn belang niet rechtstreeks bij het besluit van 18 september 2002 was betrokken.
2.1.1.    Appellant betoogt daartoe in de eerste plaats dat hij als rechtstreeks belanghebbende moet worden aangemerkt, omdat hij als huurder en onderverhuurder volledige zeggenschap over het pand had, alsmede verplichtingen jegens huurders, en het treffen van de geëiste voorzieningen tot de op hem rustende onderhoudsverplichtingen behoorde. Voorts zou hij door het treffen van die voorzieningen ernstig in zijn woongenot worden gestoord.
Dit betoog faalt. Het door appellant als het zijne omschreven belang bij het besluit van 18 september 2002 vloeit voort uit de contractuele relatie die hij heeft met de eigenaren en onderhuurders van het pand en is derhalve een afgeleid belang dat niet rechtstreeks bij dat besluit is betrokken. Dat appellant stelt economisch eigenaar te zijn van het pand maakt dit niet anders.
2.1.2.    Een rechtstreeks belang bij het besluit kan, anders dan appellant verder betoogt, ook niet worden ontleend aan de artikelen 14 en 15 van de Woningwet. Artikel 15 was Pro geen grondslag van de aanschrijving. Ingevolge artikel 14 - voorzover hier van belang - schrijven burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van de voorzieningen bevoegd is aan de door hen aan te geven voorzieningen te treffen. De aanschrijving is in dit geval gericht tot de eigenaren en niet tot appellant.
2.1.3.    Appellant betoogt tot slot tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan een brief van zijn gemachtigde van 26 augustus 2002. Ook in die brief, waarin op de gevolgen van de aanschrijving voor appellant in zijn hoedanigheid als huurder en verhuurder wordt ingegaan, kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat appellant een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang had, zodat de rechtbank deze brief terecht niet in de aangevallen uitspraak heeft betrokken.
2.1.4.    Ook anderszins is geen grond aanwezig om appellant als rechtstreeks belanghebbende bij het besluit aan te merken.
2.2.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college appellant terecht in zijn bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarom komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van de overige gronden van het hoger beroep.
2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom    w.g. Wilbers-Taselaar
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004
71-429.