ECLI:NL:RVS:2004:AR5069
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving illegale aanleg paardenbak en waterpartij in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Vianen legde appellant een last onder dwangsom op om een paardenbak met omheining, verharding en een waterpartij op zijn perceel te verwijderen omdat deze in strijd waren met het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied Vianen' (2001).
Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank Utrecht, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de aanleg en het gebruik van de verharding en waterpartij niet onder het overgangsrecht vallen en niet voldoen aan de planvoorschriften.
Het college mocht handhavend optreden omdat er geen uitzicht was op legalisatie en geen bijzondere omstandigheden waren die handhaving in de weg stonden. Het feit dat een ambtenaar tijdens de werkzaamheden geen bezwaar uitte, gaf appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen. Ook de verleende vergunning van het Hoogheemraadschap ontheft appellant niet van de verplichting tot naleving van het bestemmingsplan.
De hoogte van de dwangsom is terecht vastgesteld mede vanwege de kwetsbaarheid van het gebied en de verhoogde verkoopwaarde van de woning door de illegale voorzieningen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de handhaving van de last tot verwijdering van de illegale voorzieningen is bevestigd.