ECLI:NL:RVS:2004:AR5076
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing tewerkstellingsvergunning voor lokaal cabinepersoneel Japan en India
Appellante, Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V., verzocht om tewerkstellingsvergunningen voor lokaal cabinepersoneel uit Japan en India. De Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) wees deze aanvragen af omdat het personeel arbeid verrichtte op in Nederland geregistreerde vliegtuigen en niet voldeed aan de minimumloonvereisten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante als werkgever moet worden aangemerkt omdat zij de werkzaamheden op Nederlandse vliegtuigen laat verrichten en de arbeidsovereenkomsten met het personeel heeft gesloten.
Daarnaast werd geoordeeld dat het cabinepersoneel niet valt onder de uitzonderingsbepaling voor werkzaamheden in de huishouding van toeristen. Ook werd vastgesteld dat het personeel niet het wettelijk minimumloon verdient, waardoor de tewerkstellingsvergunning terecht is geweigerd.
De Raad van State benadrukte dat artikel 8 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) imperatief is en geen ruimte laat voor nadere belangenafwegingen. Eventuele ongewenste effecten kunnen via de aan de Kroon verleende bevoegdheid worden aangepakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de tewerkstellingsvergunningen bevestigd.