ECLI:NL:RVS:2004:AR5082
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Dolman
- A.C. Rop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-behandeling schadevergoedingsverzoek provincie Noord-Brabant
Appellant verzocht bij brief van 24 juni 1996 om vergoeding van schade als gevolg van een gewijzigde ontgrondingsvergunning door de provincie Noord-Brabant. Na diverse correspondentie en het toezenden van een rapport, stelde de provincie appellant in 2003 in de gelegenheid binnen twee weken bewijsstukken aan te leveren ter onderbouwing van het verzoek. Hoewel enige uitstel werd verleend, heeft appellant niet tijdig de gevraagde bewijsstukken overgelegd.
Bij besluit van 25 juli 2003 besloot de provincie het verzoek niet in behandeling te nemen op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluit van 25 juli 2003 niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken na het verstrijken van de aanvultermijn was genomen en dat de provincie niet duidelijk had gemaakt wanneer de verlengde termijn eindigde.
Hierdoor was het besluit in strijd met artikel 4:5, vierde lid, Awb genomen. De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en het daarop gebaseerde bezwaarbesluit, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd de provincie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
De uitspraak benadrukt het belang van naleving van de termijnen en duidelijke communicatie bij het niet-behandelen van verzoeken op grond van onvoldoende gegevens, en bevestigt de rechtsbescherming van verzoekers in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het besluit om het schadevergoedingsverzoek niet te behandelen is vernietigd en de provincie Noord-Brabant is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.