Uitspraak
200401874/1), over de aanwijzing van het in geding zijnde gebied als SBZ.
Raad van State
Bij besluit van 24 maart 2000 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het Leekstermeergebied aangewezen als watergebied van internationale betekenis volgens de Wetlands-Conventie. Appellante maakte bezwaar tegen de opname van een nabijgelegen kampeerterrein binnen het aangewezen gebied, stellende dat dit terrein niet als foerageergebied door watervogels wordt gebruikt.
De Minister handhaafde het besluit, waarna appellante beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het beroep inhoudelijk behandeld en overwogen dat het Leekstermeergebied kwalificeert als wetland vanwege de aanwezigheid van meer dan 20.000 watervogels en het overwinteringsgebied voor de Kolgans, waarbij het gehele gebied als landschapsecologische eenheid wordt beschouwd.
De Afdeling oordeelt dat de Minister terecht bij de begrenzing van het wetland zoveel mogelijk heeft aangesloten bij de grenzen van de speciale beschermingszone op grond van de Vogelrichtlijn. De aangevoerde bezwaren van appellante bieden geen grond voor vernietiging van het besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing van het Leekstermeergebied als wetland wordt ongegrond verklaard.