ECLI:NL:RVS:2004:AR5467

Raad van State

Datum uitspraak
10 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402184/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • S.W. Schortinghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 planvoorschriften bestemmingsplan BuitengebiedArt. 27 planvoorschriften bestemmingsplan BuitengebiedArt. 40 WoningwetArt. 19 lid 3 Wet op de Ruimtelijke Ordening
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering handhaving tegen gronddepot en bouw zonder vergunning

Het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenzande weigerde handhavend op te treden tegen een gronddepot op een perceel dat bestemd is voor agrarische doeleinden. Het perceel was tot augustus 2002 als gronddepot in gebruik geweest en in december 2002 ontruimd. Het college verklaarde een bezwaar tegen dit besluit ongegrond en de rechtbank bevestigde dit in februari 2004.

Appellant stelde dat het college ten onrechte geen handhaving toepaste. De Raad van State oordeelde dat de aanleg van een aarden wal en verhardingen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat het gebruik van het perceel als gronddepot inmiddels was beëindigd. Het hekwerk was zonder bouwvergunning geplaatst, maar het ontbreken van een aanvraag op het moment van besluit vormde geen reden voor handhaving, mede omdat later alsnog een vergunning werd verleend.

De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het college terecht heeft afgezien van handhavend optreden, gelet op het ontbreken van strijdig gebruik en het uitzicht op legalisatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200402184/1.
Datum uitspraak: 10 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 februari 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenzande (thans: Westland)
1.    Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenzande (thans: Westland; hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen een gronddepot op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 1 april 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 februari 2004, verzonden op 6 februari 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 12 mei 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.H. Fleers, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Westerduin, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Blijkens de stukken is het perceel tot 6 augustus 2002 in gebruik geweest als gronddepot en is het depot in december 2002 ontruimd. Ten tijde van de beslissing op het bezwaarschrift waren slechts een aarden wal, verhardingen en een hekwerk aanwezig. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college kon afzien van handhavend optreden dienaangaande.
2.2.    Het perceel heeft in het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming “Agrarische doeleinden (A)”.
Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften zijn op de betrokken gronden bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en werken, geen bouwwerken zijnde, toegestaan ten dienste van de bestemming.
Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften. In het tweede lid van artikel 27 is Pro bepaald dat onder strijdig gebruik in ieder geval wordt verstaan onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken:
a. als opslagplaats voor bagger en grondspecie;
b. als opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouwmaterialen), afval, puin, grind of brandstoffen;
c. als uitstalling-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen.
2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.4.    Voor de aanleg van een aarden wal is ingevolge het bestemmingsplan geen aanlegvergunning vereist. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat een aarden wal niet in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming, zodat geen sprake is van een gebruik in strijd met de bestemming.
2.5.    Ten aanzien van de op het perceel aangebrachte verhardingen heeft de rechtbank overwogen, dat appellant hiertegen eerst in beroep en mitsdien te laat bezwaren heeft ingebracht. Appellant heeft ter zitting verklaard, dat hij de verhardingen al in de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaarschrift aan de orde heeft gesteld. Dit is door het college niet ontkend, zodat de rechtbank ten onrechte hierover geen oordeel heeft gegeven. Het betoog van appellant terzake kan echter niet slagen. Ingevolge het bestemmingsplan is voor het aanleggen van een verharding geen aanlegvergunning nodig. Evenmin kan worden geoordeeld dat een verharding een gebruik is dat in strijd is met de ter plaatse geldende agrarische bestemming.
2.6.    Het hekwerk is zonder bouwvergunning, en derhalve in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet opgericht. Voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen concreet zicht bestond op legalisatie en derhalve niet kon worden afgezien van handhavend optreden, bestaat geen grond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het feit, dat ten tijde van het bestreden besluit nog geen aanvraag om bouwvergunning was ingediend, het college in dit geval gelet op de zich voordoende omstandigheden, niet noopte tot handhavend optreden. De bouwvergunning is overigens inmiddels met gebruikmaking van een vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, op 8 juni 2004 verleend. Of deze terecht is verleend maakt geen onderdeel uit van het onderhavige geschil doch zal in de procedure die appellant tegen de verlening ervan heeft aangespannen, worden beantwoord.
2.7.    Gezien het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak komt met verbetering van de gronden waarop zij rust, voor bevestiging in aanmerking.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk    w.g. Schortinghuis
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004
66.