ECLI:NL:RVS:2004:AR5823

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200407961/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:4 AwbArt. 1:2 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar hogere geluidgrenswaarden herstructurering Burgemeesterwijk

Bij besluit van 4 mei 2004 stelde de provincie Zuid-Holland op verzoek van de gemeente Maassluis hogere grenswaarden vast voor de eerste fase van de herstructurering van de Burgemeesterwijk. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet als belanghebbende werd aangemerkt.

Verzoeker stelde dat het besluit gebrekkige geluidberekeningen bevatte en verzocht om een bouwstop totdat duidelijkheid was over de deugdelijkheid van het besluit. De Voorzitter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 november 2004 en oordeelde dat alleen het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar aan de orde kon komen, niet de inhoud van het besluit zelf.

De Voorzitter overwoog dat belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht degene is wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Omdat het besluit geen hogere grenswaarde voor de woning van verzoeker bevatte en verzoeker geen bijzondere rechtens te erkennen relatie tot de woningen waarvoor hogere grenswaarden zijn vastgesteld kon aantonen, werd hij niet als belanghebbende beschouwd.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door Voorzitter K. Brink op 12 november 2004.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar hogere geluidgrenswaarden wordt afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is.

Uitspraak

200407961/2.
Datum uitspraak: 12 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Maassluis,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2004, kenmerk DGWM/2004/7193 heeft verweerder op verzoek van burgemeester en wethouders van Maassluis besloten op grond van de Wet geluidhinder hogere grenswaarden vast te stellen ten behoeve van het plan voor de eerste fase herstructurering Burgemeesterwijk.
Bij besluit van 23 augustus 2004, kenmerk DGWM/DMB/04/9275, heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 26 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 27 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2004, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op 29 oktober en op 5 november 2004 zijn nadere stukken ontvangen van verzoeker. Op 5 november 2004 zijn eveneens nadere stukken ontvangen van de “Ontwikkelingscombinatie Burgemeesterwijk”. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 november 2004, waar [verzoeker], en verweerder, vertegenwoordigd door F.F. van Kampen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn namens het college van burgemeester en wethouders mr. A.H. Kroeze en ing. B.H. Bussemaker, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Verzoeker is van mening dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaren. Hij voert aan dat zich in de geluidberekeningen die ten grondslag liggen aan het besluit van 4 mei 2004 een aantal tekortkomingen en fouten bevinden. Hij verzoekt de bouw of voorbereidingen voor de bouw te verbieden tot er duidelijkheid is ontstaan over de deugdelijkheid van genoemd besluit.
2.3.    De Voorzitter overweegt dat in de onderhavige zaak niet ingegaan kan worden op de deugdelijkheid van het besluit van 4 mei 2004 doch enkel op het niet-ontvankelijk verklaren van de bezwaren van verzoeker tegen dit besluit.
2.4.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker in zijn bezwaren tegen hun besluit van 4 mei 2004 tot vaststelling van hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in de Wet geluidhinder niet-ontvankelijk verklaard omdat hij, naar zijn mening, niet als belanghebbende kon worden aangemerkt.
2.5.    Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, en artikel 6:4, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.6.    De Voorzitter overweegt dat in dit geval als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht slechts worden aangemerkt, diegenen die uit hoofde van een bijzondere, rechtens te erkennen, relatie tot een of meer van de woningen bezwaar hebben tegen deze hogere grenswaarden. De Voorzitter stelt vast dat bij bedoeld besluit ten aanzien van de woning van verzoeker geen hogere grenswaarde is vastgesteld, zodat het besluit op zijn woning geen betrekking heeft.
Voorts heeft verzoeker ook niet aannemelijk kunnen maken dat een bijzondere rechtens te erkennen, relatie tot een of meer van de toekomstige woningen waarvoor hogere grenswaarden zijn vastgesteld, bestaat. De door verzoeker aangevoerde registratie als belangstellende voor de onderhavige woningen kan niet als zodanig worden aangemerkt. Hieruit volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn belangen niet rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken.
Het verzoek treft derhalve geen doel.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink    w.g. Klap
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2004
315.