Uitspraak
200306088/1(JV 2004/84), dat de rechtbank heeft miskend dat de brief van de vreemdeling van 11 februari 2003 geen aanvraag is en derhalve zijn reactie daarop van 11 juli 2003 geen besluit.
Raad van State
In deze bestuursrechtelijke procedure staat de vraag centraal of een verzoek van een uitgeprocedeerde asielzoeker om toepassing van de pardonregeling van minister Verdonk als een formele aanvraag voor een verblijfsvergunning moet worden beschouwd. De minister had een dergelijk verzoek niet als aanvraag aangemerkt en stelde dat tegen de afwijzing daarvan geen juridische procedure kon worden gestart.
De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde in eerste aanleg dat het verzoek wel als een aanvraag moet worden gezien en dat de minister haar besluit tot afwijzing opnieuw moest beoordelen. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het verzoek van de asielzoeker, mede gelet op de inhoud en strekking van de brief en bijlage, moet worden opgevat als een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de discretionaire bevoegdheid van de minister. Tegen het afwijzend besluit kan een bezwaar- en beroepsprocedure worden gestart.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond en bevestigde het bestreden vonnis. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het verzoek van de asielzoeker als aanvraag moet worden opgevat en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.