ECLI:NL:RVS:2004:AR6279

Raad van State

Datum uitspraak
18 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200408477/1 en 200408477/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • W. van den Brink
  • M.Z.C. Koutstaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8 AwbArt. 12 Marktverordening Utrecht 1997
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking standplaatsvergunning wegens langdurige ziekte

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft op 22 januari 2004 de standplaatsvergunning van appellant ingetrokken omdat deze gedurende twee jaar vanwege ziekte nagenoeg geen persoonlijk gebruik van de standplaats had gemaakt. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, maar zowel het college als de voorzieningenrechter verklaarden deze ongegrond.

Appellant voerde aan dat de periode van twee jaar anders moest worden geïnterpreteerd en dat ziekteperioden met verschillende oorzaken niet bij elkaar mochten worden opgeteld. Deze stellingen werden verworpen omdat de Marktverordening Utrecht 1997 geen aanknopingspunten bood voor een andere uitleg. Tevens werd het argument dat artikel 12, vierde lid, van de verordening onverbindend zou zijn, niet in behandeling genomen omdat dit niet aan de orde was in deze procedure.

De Raad van State oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en dat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak kon worden gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de standplaatsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

200408477/1 en 200408477/2.
Datum uitspraak: 18 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 2 september 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) de aan appellant verleende standplaatsvergunning voor de manufacturenmarkt te Utrecht met ingang van 1 maart 2004 ingetrokken.
Bij besluit van 24 mei 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 september 2004, verzonden op 6 september 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 18 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. I.A. Weijenberg, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Marktverordening Utrecht 1997 wordt de vergunning ingetrokken, indien wegens ziekte gedurende een periode van twee jaren van de vergunning nagenoeg geen of geen persoonlijk gebruik is gemaakt.
Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt, indien de vergunning wordt ingetrokken ingevolge sub e of g van het eerste lid, op diens verzoek aan de relatiepartner of kind van betreffende voormalige vergunninghouder vergunning verleend, indien deze gedurende tenminste een aaneengesloten periode van twee jaren op de standplaats heeft meegewerkt en de gegevens en bescheiden van artikel 9 heeft Pro overgelegd.
2.2.    De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het besluit van het college waarbij de intrekking van de standplaatsvergunning van appellant, die naar onbetwist vaststaat de standplaats waarvoor vergunning is verleend gedurende een periode van twee jaar niet persoonlijk heeft ingenomen, met ingang van 1 maart 2004 is gehandhaafd, stand kan houden.
2.3.    Voor het standpunt van appellant dat de in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, van de verordening bedoelde periode van twee jaar op andere dan de door het college gehanteerde wijze dient te worden gelezen, biedt de verordening geen aanknopingspunten. Evenmin kan in de verordening grondslag worden gevonden voor de stelling van appellant dat zijn ziekteperioden, nu hieraan verschillende oorzaken ten grondslag liggen, niet bij elkaar mogen worden opgeteld.
2.4.    De grief van appellant waarbij hij betoogt dat artikel 12, vierde lid, van de verordening voor onverbindendverklaring in aanmerking komt, slaagt niet, reeds omdat de genoemde bepaling in deze procedure niet aan de orde is. Thans gaat het slechts om het besluit tot intrekking van de standplaatsvergunning van appellant, welk besluit los staat van een besluit op een eventueel ingediend verzoek als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van de verordening.
2.5.    Voorzover het betoog van appellant strekt tot wijziging van het Marktreglement Utrecht 1997, slaagt dit evenmin. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht staat geen bezwaar en beroep open tegen een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.
2.6.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop, bestaat voor het treffen van een voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink    w.g. Koutstaal
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004
383.