ECLI:NL:RVS:2004:AR6296

Raad van State

Datum uitspraak
24 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200403447/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Beekhuis
  • W. van Hardeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet milieubeheer
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vergunning voor houden van schapen, geiten en pluimvee en verwerking van vlees ongegrond verklaard

Verweerder heeft aan appellante een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden van 20 schapen, 20 geiten en 50 kippen, alsmede voor het verkopen en verwerken van vlees op een perceel te Haaksbergen. De vergunning werd verleend bij besluit van 2 maart 2004 en ter inzage gelegd op 12 maart 2004.

Appellante stelde beroep in tegen het besluit, stellende dat zij ten onrechte de verplichting zou hebben gekregen om vóór 1 november 2004 een in- en uitrit aan de zijde van de locatie te realiseren. Tijdens de zitting bleek dat het besluit zowel een nieuwe in- en uitrit aan de zijde van de locatie als een bestaande aan de andere zijde omvatte. Verweerder had in de considerans een verplichting opgenomen, maar deze was niet terug te vinden in het dictum van het besluit.

De Raad overweegt dat de overweging in de considerans geen zelfstandig rechtsgevolg heeft en dat beroep tegen een dergelijke overweging niet mogelijk is indien het dictum overeenkomt met het gevraagde besluit. Aangezien appellante het gewenste dictum heeft verkregen, is het beroep ongegrond verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning is ongegrond verklaard omdat de betwiste overweging geen zelfstandig rechtsgevolg heeft.

Uitspraak

200403447/1.
Datum uitspraak: 24 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2004, kenmerk 03.1532, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden van schapen, geiten en pluimvee, alsmede voor het verkopen en ver- en bewerken van vlees op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haaksbergen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 12 maart 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 april 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 7 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van derde-belanghebbenden. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.J. Haverkamp en V. Jager, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [derde belanghebbende] daar als partij gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op het houden van 20 schapen en 20 geiten voor de slacht elders, het houden van 50 kippen die binnen de inrichting worden geslacht alsmede het verkopen en be- en verwerken van vlees.
2.2.    Appellante betoogt dat verweerder in de considerans van het bestreden besluit haar ten onrechte de plicht heeft opgelegd om vóór 1 november 2004 de aangevraagde en vergunde in- en uitrit aan de zijde van de [locatie] te realiseren.
2.3.    Ter zitting is gebleken dat de aanvraag om de bij het bestreden besluit verleende vergunning zowel een nieuw aan te leggen in- en uitrit aan de zijde van de [locatie] omvat als een reeds bestaande in- en uitrit aan de andere zijde van het perceel. Blijkens het verhandelde ter zitting is verweerder in het ontwerp van het bestreden besluit uitgegaan van beide inritten. In het bestreden besluit is hij hier niet op terug gekomen. In het dictum van het bestreden besluit heeft verweerder besloten de gevraagde vergunning te verlenen conform de overwegingen in de considerans van het besluit alsmede besloten dat de aanvraag en alle als zodanig gewaarmerkte bescheiden deel uitmaken van de vergunning.
De Afdeling overweegt dat de enkele verwijzing in het dictum van het bestreden besluit naar de overwegingen die ten grondslag liggen aan dat besluit niet zo kan worden begrepen, dat de overwegingen integraal deel uitmaken van het dictum. Gelet hierop is bij het bestreden besluit geen verplichting aan appellante opgelegd om voor 1 november 2004 de aangevraagde en vergunde in- en uitrit aan de zijde van de [locatie] te realiseren.
Gelet op het vorenstaande richt het beroep van appellante zich uitsluitend tegen een overweging van verweerder in de considerans van het bestreden besluit. De Afdeling overweegt dat deze overweging geen op zelfstandig rechtsgevolg gericht onderdeel van het bestreden besluit is. Het is niet mogelijk om uitsluitend beroep in te stellen tegen een overweging, indien het dictum van het besluit overeenstemt met de beslissing die men van het bestuursorgaan verlangde. Nu appellante een besluit met het door haar verlangde dictum heeft verkregen, is beroep tegen uitsluitend voornoemde overweging dan ook niet mogelijk.
2.4.    Het beroep is ongegrond.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis    w.g. Van Hardeveld
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2004
312-443.