ECLI:NL:RVS:2004:AR6306
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.H.B. van der Meer
- F.P. Zwart
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering openbaarmaking documenten door Algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten
Appellant verzocht de Algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten om afschriften van processtukken, documenten over advocaatkosten en stukken betreffende de Leemtewet I en II. De Algemene raad weigerde deze verzoeken, waarop appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank Groningen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat appellant aanvocht bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht de weigering tot openbaarmaking handhaafde. De verordening van de EEG en de Beschikking van de Commissie waren niet van toepassing, zodat de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) leidend was. De rechtbank mocht op grond van artikel 10, tweede lid, onder g, Wob de openbaarmaking van processtukken weigeren vanwege lopende procedures en mogelijke benadeling van betrokken partijen.
Ook de weigering om documenten over advocaatkosten openbaar te maken was terecht, omdat deze geen bestuurlijke aangelegenheid betroffen. Ten aanzien van de Leemtewetstukken oordeelde de Raad dat deze documenten interne beleidsopvattingen bevatten en daarom op grond van artikel 11 Wob Pro niet openbaar hoefden te worden gemaakt. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Groningen bevestigd.