ECLI:NL:RVS:2004:AR6318
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- P.A. Offers
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voorkeursrecht op percelen gemeente Tilburg conform bestemmingsplan Bakertand
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg stelde voor om de percelen van appellant aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) van toepassing zijn. De gemeenteraad nam dit besluit op 22 april 2002. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de raad ongegrond werd verklaard. De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellant gedeeltelijk gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, maar stelde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bezwaar van appellant tegen het collegebesluit van 26 november 2001 rechtsgevolg had gekregen als bezwaar tegen het raadsbesluit van 22 april 2002, hetgeen de rechtbank niet had onderkend. Hierdoor was de beslissing op bezwaar ten onrechte vernietigd en het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad van State stelde vast dat de raad bevoegd was het voorkeursrecht te vestigen omdat de percelen waren opgenomen in het bestemmingsplan Bakertand en voldeden aan de voorwaarden van de Wvg. De eerdere jurisprudentie die appellant aanvoerde, betrof een ander plan en deed hieraan niet af. Ook was geen verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten vereist. Het beroep van appellant werd alsnog ongegrond verklaard, en de uitspraak van de rechtbank werd voor het overige bevestigd. Het griffierecht werd aan appellant terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het voorkeursrecht op zijn percelen wordt gehandhaafd.