ECLI:NL:RVS:2004:AR6739

Raad van State

Datum uitspraak
24 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200408468/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • R.G.P. Oudenaller
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom bouw- en sloopafval opslag

Bij besluit van 16 september 2004 legde het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan verzoekster, een recyclingbedrijf te Rotterdam, een last onder dwangsom op wegens het opslaan van bouw- en sloopafval op een niet-vloeistofdichte vloer, in strijd met vergunningvoorschrift 7.8. De dwangsom bedroeg € 15.000 per week met een maximum van € 150.000.

Verzoekster betoogde dat het opgeslagen materiaal geen afval was, maar een steenachtige fractie die niet onder het begrip bouw- en sloopafval valt, en dat het voorschrift daarom niet werd overtreden. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat geen onderzoek was gedaan naar de vraag of het materiaal daadwerkelijk afval was, waardoor niet aannemelijk was dat het college bevoegd was tot handhaving.

De Voorzitter besloot daarom het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De procedure bood ruimte om de vraag of het materiaal afval is volledig te behandelen bij bezwaar.

Uitkomst: Het besluit tot last onder dwangsom wordt geschorst tot zes weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

200408468/1.
Datum uitspraak: 24 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de vennootschap onder firma "Recycling Kombinatie voor Bouw- en Sloopafval Rotterdam", gevestigd te Rotterdam,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2004, kenmerk 415074 20177715, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 15.000 voor iedere week dat geconstateerd wordt dat bouw- en sloopafval wordt opgeslagen in strijd met voorschrift 7.8 van de oprichtingsvergunning die bij besluit van 20 juni 2003 is verleend voor de inrichting van verzoekster, gelegen op het perceel Vondelingenplaat 17 te Rotterdam. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 150.000.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 14 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 november 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.J. Simons en ing. M.S. Timpert, gemachtigden, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    In vergunningvoorschrift 7.8 is bepaald dat de activiteiten met betrekking tot afval dienen te geschieden op een blijvend vloeistofdichte vloer. Verweerder heeft geconstateerd dat in strijd met dit voorschrift op een gedeelte van het terrein van de inrichting waar geen vloeistofdichte vloer aanwezig is – tussen de waterbassins en de puinbreker – bouw- en sloopafval wordt opgeslagen.
2.2.    Verzoekster voert aan dat voorschrift 7.8 niet wordt overtreden en dat verweerder daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. Zij betoogt in dit verband dat op het betreffende gedeelte van het terrein slechts uitgesorteerde steenachtige fractie, afkomstig van gesloopte gebouwen, is opgeslagen. Onder verwijzing naar de begrippenlijst die in de vergunning is opgenomen, stelt zij dat dit materiaal niet is aan te merken als bouw- en sloopafval.
2.3.    De Voorzitter overweegt dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of de steenachtige fractie is aan te merken als een afvalstof. Verweerder heeft ter zitting evenwel erkend dat geen onderzoek is gedaan naar de vraag of op het betreffende gedeelte van het terrein van de inrichting daadwerkelijk afval is opgeslagen. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat verweerder bevoegd is om wegens overtreding van voorschrift 7.8 met bestuurlijke handhavingsmiddelen op te treden. Verder heeft verweerder ter zitting aangegeven dat op 2 december 2004 de hoorzitting bij de commissie voor bezwaar- en beroepschriften kan plaatsvinden, waarna op relatief korte termijn een beslissing op het bezwaar kan worden genomen, waarbij de vraag of de steenachtige fractie is aan te merken als afval ten volle aan de orde kan komen. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. In dit verband heeft hij voorts desgevraagd ter zitting verklaard dat het milieubelang zich er niet tegen verzet dat gedurende deze periode het bestreden besluit wordt geschorst.
2.4.    Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te noemen voorlopige voorziening te treffen. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.
2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 16 september 2004, kenmerk 415074 20177715, tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan verzoekster;
III.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink    w.g. Oudenaller
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2004
190-361.