ECLI:NL:RVS:2004:AR7112

Raad van State

Datum uitspraak
8 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200406831/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. Schaafsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheerWet milieubeheerHinderwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek gebruik uitweg vergunninghouder onder Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer

Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rheden het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de uitweg van de vergunninghouder op de locatie afgewezen. Appellant stelde dat het gebruik van de uitweg niet gelegaliseerd kon worden door een melding onder de Wet milieubeheer en dat een vergunning vereist was. Tevens wees appellant op een voorgenomen intensivering van het gebruik door de bouw van een loods.

Verweerder stelde dat de oorspronkelijke Hinderwetvergunning betrekking had op een benzinestation en dat de bedrijfsactiviteiten inmiddels waren gewijzigd naar een aannemersbedrijf dat valt onder het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer. Dit bedrijf had de vereiste melding gedaan en het gebruik van de uitweg was niet in strijd met het Besluit.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting bleek dat het aannemersbedrijf het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer naleefde. Er was geen bewijs dat het gebruik van de uitweg in strijd was met het Besluit. De mogelijke toekomstige intensivering van het gebruik deed hieraan niet af. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek is ongegrond verklaard.

Uitspraak

200406831/1.
Datum uitspraak: 8 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Rheden,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2003, kenmerk BMIL1586-1172, heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de uitweg van [vergunninghouder] op de [locatie] afgewezen.
Bij besluit van 18 september 2003, kenmerk BMMIL2425-7903, verzonden op 19 september 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 30 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 december 2003.
Bij brief van 19 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door M.G. Maandag-Rietbergen, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Tevens is namens vergunninghouder mr. L.G.P. Frankfort, advocaat te Arnhem, en [gemachtigde], als partij gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellant voert aan dat [vergunninghouder] op grond van zijn Hinderwetvergunning uit 1967 alleen van de in- en uitrit aan de Dorpsstraat gebruik mag maken. Het gebruik van de in- en uitrit aan de Veerweg kan volgens appellant niet door een Wet milieubeheer melding worden gelegaliseerd. Hiervoor had een vergunning moeten worden aangevraagd. Tevens voert appellant aan dat het aannemersbedrijf van plan is een loods op te richten waardoor het gebruik van de in- en uitrit aan de Veerweg zal worden geïntensiveerd.
2.1.1.    Verweerder voert aan dat de Hinderwetvergunning waar appellant naar verwijst betrekking heeft op een benzinestation. De bedrijfsactiviteiten zijn reeds geruime tijd geleden gewijzigd. Er is nu sprake van een aannemersbedrijf dat van rechtswege onder het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer valt. Het aannemersbedrijf heeft dit op de voorgeschreven wijze gemeld en het gebruik van de in- en uitrit is niet in strijd met het Besluit.
2.1.2.    De Afdeling overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [vergunnininghouder] onder het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer valt. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd noch anderszins is gebleken dat het aannemersbedrijf dit Besluit met het gebruik van de in- en uitrit heeft overtreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om handhavend op te treden diende te worden afgewezen. De stelling van appellant dat de in- en uitrit in de toekomst mogelijk intensiever dan op het moment zal worden gebruikt kan hieraan niet af doen. Het beroep is derhalve ongegrond.
2.2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Schaafsma    w.g. Klap
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004
315.