ECLI:NL:RVS:2004:AR7530
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Hoekstra
- R.H. Lauwaars
- J.G.C. Wiebenga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanwijzing Voornes Duin als wetland volgens Wetlands-Conventie
Bij besluit van 24 maart 2000 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het gebied Voornes Duin aangewezen als wetland van internationale betekenis volgens de Wetlands-Conventie. Appellanten, waaronder de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, maakten bezwaar tegen deze aanwijzing en de begrenzing van het gebied, stellende dat het gebied niet als watergebied kan worden gekwalificeerd en dat de procedure niet correct was gevolgd.
De Raad van State overweegt dat de aanwijzing van het wetland gelijktijdig met de aanwijzing als speciale beschermingszone (SBZ) is bekendgemaakt en dat hiervoor geen aparte openbare voorbereidingsprocedure vereist is. Tevens is vastgesteld dat de bezwaren over de duur van de bezwaarprocedure geen grond voor gegrondverklaring bieden gezien de complexiteit en omvang van de bezwaren.
De Afdeling toetst de begrenzing van het wetland aan de criteria van de Wetlands-Conventie en het Alterra-rapport 374, waarin het gebied wordt gekwalificeerd vanwege aanwezigheid van meer dan 1% van de biogeografische populatie van Lepelaar en Aalscholver, vochtige duinvalleien, duinmeren en bijzondere plantengemeenschappen. De Raad ziet geen reden om de begrenzing te wijzigen of delen van het gebied uit te sluiten.
De Raad concludeert dat de aanwijzing van Voornes Duin als wetland op juiste gronden is genomen en dat het besluit niet in strijd is met het recht. Het beroep is daarom ongegrond, behalve het beroep van wijlen appellant sub 2b dat niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing van Voornes Duin als wetland is ongegrond verklaard, behalve het beroep van wijlen appellant sub 2b dat niet-ontvankelijk is.