AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit wegens niet tijdig beslissen op bezwaarschrift glastuinbouwbedrijf
Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen om handhavingsmaatregelen te treffen tegen het glastuinbouwbedrijf van een partij aan een locatie te een plaats. Dit verzoek werd bij besluit van 4 maart 2004 afgewezen. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit. Verweerder stuurde op 12 augustus 2004 een brief waarin het bezwaar gegrond werd verklaard, maar zonder het primaire besluit te herroepen of te vervangen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat een gegrondverklaring van bezwaar zonder herroeping van het primaire besluit niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Hierdoor werd het beroep aangemerkt als gericht tegen het uitblijven van een besluit.
De Afdeling stelde vast dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van zes weken had beslist op het bezwaarschrift van 22 april 2004, wat in strijd is met artikel 7:10 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd de weigering om tijdig te beslissen vernietigd en werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de weigering om tijdig te beslissen op het bezwaarschrift wordt vernietigd.
Uitspraak
200407524/1.
Datum uitspraak: 15 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2004, kenmerk 1073, heeft verweerder een verzoek van appellanten om toepassing van handhavingsmaatregelen met betrekking tot het glastuinbouwbedrijf van [partij] aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.
Bij brief van 12 augustus 2004, kenmerk 03870/2895, verzonden op 12 augustus 2004, heeft verweerder beoogd het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond te verklaren.
Tegen deze brief hebben appellanten bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 12 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar appellant vertegenwoordigd door mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, en in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. Vos-Koster en W. van de Sluis, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat, indien een bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit dient plaats te vinden.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit moet herroepen en voorzover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit moet nemen.
2.2. De Afdeling stelt vast dat de namens verweerder door de Milieudienst Noord-West Utrecht op 12 augustus 2004 verzonden brief kennelijk de pretentie heeft om een beslissing op het door appellanten ingediende bezwaar te zijn. De brief voorziet echter niet in een herroeping van het besluit van 7 september 2004 en evenmin in het nemen van een nieuw besluit ter vervanging daarvan. Ook het bij de brief gevoegde schrijven van dezelfde datum voorziet hierin niet.
Het is in strijd met artikel 7:11 vanPro de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar gegrond te verklaren zonder het primaire besluit te herroepen en, indien nodig, duidelijkheid te bieden over het besluit dat voor dit primaire besluit in de plaats komt. Gelet hierop kan de enkele gegrondverklaring van een bezwaar, zonder dat het primaire besluit wordt herroepen of daarvoor een nieuw besluit in de plaats wordt gesteld, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
Gelet op het bovenstaande zal de Afdeling het onderhavige beroep aanmerken als een beroep gericht tegen het uitblijven van een besluit in de zin van artikel 6:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
2.3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
In artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt bepaald dat het bestuursorgaan binnen zes weken of –indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 isPro ingesteld- binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift beslist.
Gelet op het bovenstaande staat vast dat verweerder niet binnen de in artikel 7.10 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen termijn een besluit heeft genomen op het door appellanten op 22 april 2004 ingediende bezwaarschrift. De Afdeling is derhalve van oordeel dat verweerder in strijd met dit artikel heeft gehandeld, zodat de met een besluit gelijk te stellen weigering om tijdig te beslissen dient te worden vernietigd. Het beroep van appellanten is dan ook gegrond.
2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt de met een besluit gelijk te stellen weigering om tijdig te beslissen op het bezwaarschrift van appellanten van 22 april 2004;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 679,27, waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente De Ronde Venen te worden betaald aan appellanten;
IV. gelast dat de gemeente De Ronde Venen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.