Uitspraak
200300388/1, bij besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de zogenoemde Wet kosten bestuurlijke voorprocedure op 12 maart 2002 het recht zoals dit gold vóór die inwerkingtreding van toepassing.
Raad van State
Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer dat bezwaar maakte tegen haar voorgenomen uitvoer van 50.000 ton afvalstoffen naar een Duits bedrijf. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het bezwaar gegrond en heropende het onderzoek voor een uitspraak over schadevergoeding.
Appellante vorderde vergoeding van gederfde winst en gemaakte kosten in bezwaar- en beroepsprocedures. Zij stelde slechts 13.764,34 ton te hebben kunnen uitvoeren door het bezwaar van verweerder. Zij baseerde haar schade op de veronderstelling dat zij voldoende afvalstoffen van derden had kunnen verkrijgen.
De Afdeling oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd van haar stellingen, ondanks meerdere verzoeken om bewijsstukken. Getuigenverklaringen en deskundigenrapporten waren onvoldoende om de schade aannemelijk te maken. Ook de advocaatkosten kwamen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het bezwaarbesluit vóór de inwerkingtreding van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedure was genomen en geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld.
De Afdeling wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde appellante niet tot proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 15 december 2004.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens gederfde winst en gemaakte kosten wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.